Politiek spektakel camoufleert en etaleert racisme
Het was weer een show gisteren, een circusvoorstelling. Maar de show was kwaadaardig. De circusvoorstelling liet zien hoe dompteur Schoof de clowns van de oppositie afleidde terwijl predator Faber ongehinderd op jacht kan naar haar volgende prooi. Malle metaforen terzijde: dit ging om keihard racisme versus omfloerst racisme. Beiden hebben nog gewonnen ook. Nee, dit was niet louter onbeduidende flauwekul over procedures. Dat had meteen duidelijk kunnen zijn, als mensen tot zich door hadden laten dringen wat er feitelijk gebeurde. Faber deed iets waarvoor het woordje ´hondenfluitje’ nog een understatement is. En ze kwam er mee weg.
Het begon met het uitlekken van nieuws, afgelopen zondag. Minister Faber van Asielzaken weigerde haar handtekening te zetten onder het toekennen van een vijftal koninklijke onderscheidingen, de intussen spreekwoordelijke lintjes. Het betrof vijf mensen die als vrijwilliger werkzaam waren voor het Centraal orgaan Asielopvang oftewel COA. Het betrof dus mensen die hun energie en tijd steken in het helpen van vluchtelingen om bijvoorbeeld de taal te leren, wegwijs te worden uit formulieren voor allerlei noodzakelijke procedures en dergelijke. Het betrof dus mensen die iets willen betekenen voor andere mensen, zonder daar betaling voor terug te verwachten.
Maar de mensen aan wie ze hulp boden, zijn vluchtelingen. Mevrouw Faber wil weinig vluchtelingen. Ze wil dat er zo min mogelijk mensen hier asiel komen aanvragen en zo min mogelijk mensen zich hier als vluchteling mogen vestigen. Het beleid dat ze daartoe op de rails zet noemt ze heel trots “het strengste asielbeleid ooit”, een frase die ze niet moe wordt te herhalen. En in dat beleid past wat haar betreft geen vriendelijkheid jegens vluchtelingen. Mevrouw Faber vond die lintjes aan vrijwillige helpers van het COA dan ook maar niks. Dus wilde ze de aanvragen niet tekenen. Dat lekte uit, Wilders prees haar hemelhoog, veel politici – ook van regeringspartijen – spraken er schande van, en een rel was geboren.
Gisteren beleefde de rel haar climax. In een urenlang debat in de Tweede Kamer kregen we te zien hoe politici van de oppositie jammerden over de “eenheid van kabinetsbeleid” nu een minister overduidelijk iets anders wilde dan haar collega’s die de vijf vrijwilligers dat lintje wel wilden geven. Faber had weliswaar berust in die toekenning nadat Schoof en een andere minister bereid waren ervoor te tekenen. Maar haar standpunt erover herriep ze niet, en excuses maakte ze evenmin. We kregen een eindeloze reeks uitspraken, ook uit de monden van ministers, zelfs uit die van Faber, over de waardering die ze allemaal hadden voor vrijwilligers die zich voor de samenleving inzetten. Aan het eind van de dag lagen er moties van wantrouwen tegen Faber, maar ook tegen het hele kabinet. Natuurlijk werden die weggestemd en sloten de vier partijen zich eendrachtig aaneen ter verdediging van hun heilige kabinet. En daarmee was de circusvoorstelling afgelopen.
Maar daarmee mag de aandacht voor wat er gezegd en gedaan is, niet zomaar verdwijnen. Het geredekavel over procedures, de waarde van vrijwilligers, de eenheid van kabinetsbeleid en het lompe geklungel van Faber leidde af van de kern: de afkeer die Faber van vluchtelingen etaleerde, en de ruimte die ze voor die racistische afkeer kreeg en nog steeds krijgt. We gaan nog eens terug naar het begin. Faber, over de activiteit van de vijf vrijwilligers in de asielopvang: “‘Hun werk staat haaks op mijn beleid’, laat Faber weten na berichtgeving in de Telegraaf. ‘Ik sta voor een streng asielbeleid, want ik wil de asielinstroom verlagen. En het aantal verblijfsvergunningen ook.’ Om die reden weigert de minister de voordrachten te ondertekenen.”
Hoe het verlenen van assistentie aan vluchtelingen om de taal de weg in de Nederlandse polderbureaucratie te leren, het aantal asielaanvragen en het aantal verleende verblijfsvergunningen zou doen toenemen, kregen we van de minister niet te horen. Ik heb ook niet gezien dat de minister daar erg grondig over werd doorgevraagd trouwens. Het enige verband waar ze op zou kunnen doelen is de zogenaamde “aanzuigende werking”: vluchtelingen fatsoenlijk opvang bieden brengt misschien andere vluchtelingen op het idee om ook naar Nederland te komen en dat is in strijd met dat strengste asielbeleid ooit. Dus moeten vluchtelingen niet fatsoenlijk worden opgevangen. Onmenselijkheid als afschrikking dus. “Ik wil minder asielzoekers, dus moeten we ook niet aardig zijn tegen de asielzoekers die er al eenmaal zijn.” Daar komt haar afwijzing van de lintjesaanvraag op neer. Ze etaleert er gewoon haar afkeer van medemenselijkheid mee waar die medemenselijkheid vluchtelingen betreft. Dat is racisme.
En ze zegt het dus openlijk. Vluchtelingen helpen “staat haaks op mijn beleid”. Wat Faber betreft worden vluchtelingen – juist ook de vluchtelingen die als zodanig zijn erkend, de zogeheten statushouders – dus niet geholpen, niet ondersteund, niet medemenselijk behandeld. Dat is de strekking van haar weigering om die voordrachten van vijf vrijwilligers te ondertekenen. Daar zou ieder zinnig debat vooral over hebben moeten gaan. Niet over de vraag over hoe kwetsend dit was voor vrijwilligers, niet over de vraag of de eenheid van kabinetsbeleid nu wel of niet in gevaar was en intussen adequaat was hersteld.
Dat het debat nauwelijks over Fabers lompe racisme ging, heeft een reden. De minister enerzijds, de rest van het kabinet en vrijwel de complete oppositie anderzijds, zijn het over asielbeleid helemaal niet diepgaand oneens. Het regende gisteren van alle kanten steunbetuigingen aan het alom erkende doel van Fabers beleid: “grip op migratie” krijgen. Faber, Schoof, maar ook Timmermans, zien ‘migratie’ als heel groot probleem, iets dat beheerst en beperkt dient te worden. Allemaal vinden ze de “zorgen” van de “gewone Nederlander” over de komst van migranten – zowel arbeidsmigranten als van mensen op de vlucht die asiel willen aanvragen – heel “begrijpelijk”. Allemaal gaan ze mee in het verhaal dat “echte vluchtelingen” strikt onderscheiden moeten worden van “gelukzoekers” – alsof er iets mis is met het streven naar geluk – en “economische vluchtelingen” – alsof er iets mis is met een poging om aan een uitzichtsloos bestaan te ontkomen en de bestaanszekerheid te zoeken die officieel door het kabinet wordt gepredikt maar kennelijk moet worden voorbehouden aan ‘echte’ Nederlanders.
Het hele frame van “grip op migratie” willen krijgen, het hele frame van”‘beperking van de asielstroom” als streven, is een racistisch frame, waarin die echte Nederlander de norm is en alle anderen als vreemd en potentieel vijandig – als mensen wiens aanwezigheid problematisch is voor precies die “echte Nederlanders” – worden neergezet. En Timmermans, Jetten, Bontebal en noem ze allemaal maar op, ze onderschrijven dat racistische frame net zo goed als Wilders, Schoof, Van der Plas, Omtzigt en Faber dat doen. Daarover ging de ruzie dus niet. Hooguit over de uitvoering van het bijbehorende beleid, en verder vooral over procedures en bevoegdheden. Rookgordijnen waarachter de racistische eensgezindheid tegelijk werd beleden als gecamoufleerd.
Tegelijk: de racistische eensgezindheid is hoogst incompleet. Want Faber en Wilders deden wel degelijk iets dat verder ging dan de racistische consensus die ik hierboven schetste. Die consensus bevat namelijk nog een element: de mensen waarvan de aanwezigheid in Nederland uiteindelijk wordt geduld, worden vervolgens zo snel mogelijk tot “echte Nederlanders” omgevormd. Dat heet “integratie”, en daar zijn Timmermans tot en met Schoof allemaal groot voorstander van. Faber en Wilders niet. Die willen die mensen gewoon weggetreiterd zien.
In die integratie past het COA. In die integratie passen ook vrijwilligers die statushouders Nederlands leren en wegwijs maken in hoe dingen in Nederland werken. En natuurlijk verdienen zulke vrijwilligers dan officiële waardering. Daar past de uitreiking van een lintje aan vijf van hen prima in. Die vrijwilligers zelf zetten zich oprecht in. Maar het beleid waar de hele asielopvang deel van uitmaakt, en waarbinnen deze vrijwilligers functioneren, is niet bepaald vrij van racistische aannames. Het gaat immers eerst om het scheiden van wie mag blijven en wie niet, en vervolgens om de omvorming van degenen die mogen blijven in mensen die zo min mogelijk van de norm van witte Nederlanders afwijken. Dat die witte Nederlander de norm is en stelt, daaraan wordt in officiële politieke kringen eigenlijk niet getwijfeld. Daarin ligt racisme verscholen.
Wat Faber en Wilders echter doen is: die eerste poot in het officiële racisme – zoveel mogelijk mensen weren – overeind houden maar de tweede poot – de mensen die uiteindelijk wel mogen blijven fatsoenlijk behandelen – afhakken. Zij zeggen niet alleen: we willen zoveel mogelijk vluchtelingen en migranten weren en buitensluiten. Ze zeggen ook: wie mag blijven, wordt hooguit voorlopig geduld, niet werkelijk geaccepteerd maar hooguit getolereerd – tot het moment dat we ze weg kunnen werken. En daarin past geen vriendelijke vrijwilliger die vluchtelingen de taal leert. Daarin past geen vertoon van medemenselijkheid. Daarin past openlijke hardvochtigheid, in de nauwelijks verholen hoop dat mensen uit zichzelf vertrekken en andere mensen het idee om naar Nederland te komen bij voorbaat uit hun hoofd zetten. Daarbij past een houding waarin vluchtelingen openlijk van hun menselijke waardigheid worden beroofd en de noodzaak om ze enige medemenselijkheid te tonen, dus ook openlijk wordt ontkend. En van die openlijke ontkenning van de menselijke waardigheid van personen op de vlucht getuigt dus die demonstratieve weigering om vrijwilligers die vluchtelingen helpen, een lintje te willen geven. Dat ze dat lintje niet konden tegenhouden zullen Faber en Wilders zich hebben gerealiseerd. Maar hun racistische punt was – door de weigering van Faber via een lek de publiciteit in te helpen – toch gemaakt. Het was een hondenfluitje, bedoeld voor hun racistische achterban – maar dan wel een hondenfluitje dat het volume kreeg van een compleet blaasorkest.
De vijf vrijwilligers krijgen hun lintje, het kabinet kan weer even door tot de volgende circusvoorstelling. Maar feitelijk heeft Faber maar heel weinig hoeven prijsgeven. Nergens in de discussie liet Schoof merken dat hij haar standpunt op zichzelf onaanvaardbaar vond voor een lied van zijn kabinet. De premier zei expliciet: “‘Het staat ministers vrij de weging te maken’ over welke voordrachten voor lintjes ze wel of niet willen steunen. Enkele Kamerleden vroegen schoof of hij kan uitsluiten dat Faber opnieuw onderscheidingen weigert, maar daar wilde de premier niet in meegaan.” Dus: Faber kan haar hatelijke afkeer van het helpen van vluchtelingen gewoon handhaven, zolang ze dat maar binnen de officiële procedures doet. Het kabinet van vooralsnog overwegend omfloerste racisten duldt dus minstens één geenszins omfloerste keiharde nazi-racist in haar midden. Daarmee is er weer iets verschoven in de politieke verhoudingen en het bijbehorende klimaat. En niet bepaald ten goede.
Peter Storm
(Dit artikel verscheen eerder op zijn weblog Egel.)
Reacties (0)
Voeg nieuwe reactie toe
Wij tolereren geen: racisme, seksisme, transfobie, antisemitisme, ableisme enz.