“Indehoy!” toont de centrale rol van seks bij de kolonisatie van Indonesië
Lizzy van Leeuwens boek “Indehoy!” beschrijft de geschiedenis van seks in het gekoloniseerde Indonesië. Ze begint met een korte schets van pre-koloniale normen hierover. Niet alleen om het contrast met het protestantse Nederland duidelijk te maken, maar ook omdat dit continu invloed zal blijven hebben op de latere ontwikkelingen. Zelfs na honderden jaren kolonisatie verdwijnen deze normen niet volledig.
Wat me halverwege het boek opviel is dat ik eigenlijk heel weinig weet van deze geschiedenis. Dit beperkt wel wat voor recensie ik in staat ben om te schrijven. Ik heb geen vergelijkende werken over het kolonisatieproces gelezen en weet er niet heel veel van af, zodat ik Van Leeuwens beschrijvingen en duidingen grotendeels voor lief moet nemen. Nu lijkt me Van Leeuwen een consciëntieuze schrijver en geeft ze haar bronnen altijd netjes aan, maar dat betekent natuurlijk niet dat men er altijd mee eens moet zijn. Immers, er is ook debat tussen serieuze historici. Wat dit voor deze recensie betekent, is dat ik de accuraatheid van de feiten en de aannemelijkheid van de duidingen nauwelijks kan beoordelen.
Nu ik deze disclaimer uit de weg heb, kunnen we naar de inhoud van deze recensie gaan. Ik zelf leerde van dit boek ontzettend veel en vind het heel goed dat Van Leeuwen er werk van maakt om de verhouding tussen seks en kolonisatie te onderzoeken. Dit is niet alleen nuttig omdat het laat zien hoe kolonisatie tot in de intiemste verhoudingen kruipt, maar ook omdat seks een centrale rol in het breder koloniale project heeft gespeld. Zo waren soa’s een serieus probleem in het (Koninklijk) Nederlands-Indisch Leger ((K)NIL), maar was de belofte van toegankelijke seks met vrouwen in de kolonie ook een belangrijk lokmiddel om soldaten te rekruteren.
Een heel kort kader voor seks in gekoloniseerd Indonesië
Het boek zelf volgt vooral een chronologische lijn, wat de veranderende normen rondom seks duidelijk naar voren brengt. In eerste instantie is het goed te benoemen dat seks in de pre-koloniale tijd losser was (ik probeer hier heel grote lijnen te volgen, want er waren uiteraard verschillen tussen de verschillende eilanden die vandaag de dag allemaal Indonesië zijn). Zo was er veel seksuele voorlichting gericht op seksueel plezier, voor zowel mannen als vrouwen. Ook was scheiden veel makkelijker, zodat het niet nodig was bij een slechte huwelijkspartner te blijven. Zo kon het verwijderen van een palang (een penisstaafje dat werd gedragen om de seks voor vrouwen leuker te maken) zonder dat met de echtgenote te hebben besproken voldoende reden voor een scheiding zijn.
Voor de bovenlaag van de maatschappij komt hier verandering in met de introductie van de islam rond 1300, waarbij de leefsfeer van vrouwen wordt beperkt en polygamie een gebruikelijker praktijk wordt. In de rest van de samenleving zou het nog driehonderd jaar duren voordat de toenemende aantallen handelaren uit Europa en China hun patriarchalere rolmodellen voor vrouwen beginnen te importeren. Een goed voorbeeld hiervan is de vierde gouverneur-generaal van Oost-Indië, Jan Pieterszoon Coen. Niet alleen verantwoordelijk voor de ontvolking van het Banda-eiland Lontor met duizenden doden en tot slaaf gemaakten tot gevolg, maar ook voor de poging het protestantisme op Batavia te verankeren. Hiervoor richtte hij zijn peilen bijvoorbeeld op buitenhuwelijkse seks. Coens beleid was een uiting van christelijke suprematie. Zo moest de strikte wetgeving dat seks alleen binnen het huwelijk plaats mocht vinden, waarborgen dat er geen kinderen van gemengde afkomst zouden komen. Dit soort denken was de voorloper van het racisme dat zich later meer op biologische kenmerken zou richten.
Deze hiërarchieën waren dan ook een centrale reden waarom seks zo’n groot politiek vraagstuk was. De vraag wie heerser en wie overheerste, wie kolonisator en wie gekoloniseerd was, was iets dat door seks tussen deze groepen, en vooral door hun kinderen van gemengde afkomst, lastig gemaakt werd. De wettelijke positie, maar ook de loyaliteit van Indo-Europeanen, was vaak onzeker gedurende de driehonderd jaar van kolonisatie. Vooral Indo-Europese vrouwen moesten constant leven met het stereotype van de seksueel beschikbare en onderdanige, maar ook niet te vertrouwen vrouw.
De vormen waarop Indo-Europese en inheemse vrouwen seksueel beschikbaar moesten zijn aan de witte mannen (en tot bepaalde hoogte alle mannen) waren nogal aan verandering onderhevig, maar het basale gegeven dat ze seksueel beschikbaar moesten zijn bleef door de jaren heen bestaan. De verschillende vormen waren onder andere: seksslavin, njai (een huishoudster inclusief seksuele diensten), moetjis (vaste seksuele partner van een soldaat) of prostitué. Over deze laatsten en de seksindustrie wil ik nog wat meer zeggen.
De seksindustrie in Nederlands-Indië
De belofte van seks was vrijwel vanaf begin van de VOC-bezetting een onderdeel van het beeld van gekoloniseerd Indonesië. Het is dan ook niet verbazingwekkend dat in deze combinatie van seksualisering, armoede onder inheemsen, en superioriteits- en bevoorrecht denken van de Europeanen een seksindustrie ontstond in de kolonie. Door de jaren heen werden er verschillende houdingen tegenover ingenomen vanuit het koloniaal bestuur. Zo werd het in de beginperiode vaak gedoogd, wat ervoor zorgde dat het enorm groeide, vaak tot ergernis van bewoners die overlast rapporteerden. Dit was echter niet het enige probleem dat werd opgeschreven (ik gebruik opgeschreven omdat de sekswerkers zelfs waarschijnlijk ook veel problemen hadden, maar hun perspectief is echter slechts heel zelden bewaard gebleven). Zo was er ook een groot probleem met soa’s die werden verspreid, wat vooral voelbaar was in het KNIL waar veel soldaten geslachtsziekten opliepen (onder Europese soldaten was het aantal mannen dat voor geslachtsziekten behandeld werd in 1903 veertig procent). Wat ook als probleem ervaren werd was dat witte vrouwen zich prostitueerden. Daardoor werd immers het zogenaamde witte prestige aangetast, ook juist omdat wellicht niet-witte mannen seks met haar zouden kunnen hebben.
Om deze problemen onder controle te krijgen werden er in 1852 maatregelen genomen. Zo moesten prostituees bij de politie een identiteitskaart afhalen die ze altijd bij zich moesten hebben, en werden ze geacht zich regelmatig te laten testen op soa’s. Als ze positief testten werd de identiteitskaart ingenomen totdat ze weer negatief testten. Om veilig te stellen dat de regels werden nageleefd werden centra opgericht waar sekswerk werd gedaan en was er een politieagent die toezicht hield. Deze pogingen mislukten volledig. Sekswerkers onttrokken zich aan de tests en behandeling, en de politieagenten misbruikten hun macht om zichzelf te verrijken door sekswerkers af te persen. Op de prostitutie onder inheemsen, waar gescheiden vrouwen vaak een paar maanden clandestien sekswerk deden voordat ze opnieuw gingen trouwen, kreeg de regering nooit grip.
Begin twintigste eeuw begon de syfilisbestrijding te duur te worden en werd de verantwoordelijkheid afgewenteld op gemeenten en bordeelhouders. Over het algemeen veranderde de houding tegenover de seksindustrie. Eerder heerste een soort van laisser-faire, maar daarna kwam de regulatie en in 1910 uiteindelijk de criminalisering. Het politietoezicht werd afgeschaft en de centra voor sekswerk verdwenen. Bordelen en straatprostitutie werden verboden. Het gevolg hiervan was vooral dat de seksindustrie ondergronds ging. Immers, de vrouwen die erin werkten hadden meestal niet echt een andere keuze omdat ze arm waren en er geen andere banen voor hen openstonden. Zo bleef de prostitutie gewoon doorgaan, ook al was het niet meer legaal.
Twee dingen vind ik aan Van Leeuwens beschrijving daarvan opmerkelijk. Het eerste is dat de geschiedenis van de seksindustrie in Nederlands-Indië de problemen met de uiteenlopende aanpakken ervan laat zien. Of sekswerkers nu gewoon hun gang mochten gaan, of het werk werd gereguleerd of dat er een volledige criminalisering heerste: eigenlijk werkten alle aanpakken niet helemaal. Nu moet er wel bij worden gezegd dat geen van deze maatregelen is getroffen door sekswerkers zelf, of zelfs met hun belang in gedachten. Had men dat wel vanuit hen gedacht, dan was de potentie van elk van deze oplossingen wellicht groter geweest dan wat deze geschiedenis laat zien. Wat toen ook al werd herkend, maar waar velen zich onmachtig voelden om iets aan te doen, was dat de fundamentele machtsverhoudingen moesten veranderen die de seksindustrie slecht maken. Het doel, zo lijkt mij, moet zijn dat niemand gedwongen kan worden of zich genoodzaakt voelt om sekswerk te doen. En terwijl dat een vrij kleine eis kan lijken, vraagt het wel om fundamentele verandering op het gebied van gender- raciale- en klassenverhoudingen.
Het tweede dat ik aan Van Leeuwens beschrijving opmerkelijk vind, is dat ze sekswerkers niet als zielige slachtoffers laat zien, maar wel degelijk op het onrecht wijst dat ze ervaren. Zoals eerder genoemd is het lastig om echt het perspectief van sekswerkers te krijgen, maar ook bij de beschrijvingen van anderen hanteert Van Leeuwen een stijl die de menselijkheid van sekswerkers bewaard. Een van de weinige sekswerkers die Van Leeuwen aan het woord kan laten is Marietje van Oord die in haar jeugd als sekswerker geld verdient, en later bekend wordt als meesteroplichter. De pagina’s over haar leven zijn ontzettend vermakelijk, vooral omdat deze vrouw van vrij arme oorsprong (buitenechtelijk kind van een moeder die ook een buitenechtelijk kind is) weet de oneerlijke regels en normen van de koloniale maatschappij ten eigen voordele te navigeren.
Homoseksualiteit
Ikzelf vond de hoofdstukken over homoseksualiteit het interessantst. Dit waarschijnlijk omdat dit het meeste als ‘mijn geschiedenis’ voelde. Terwijl ik niet helemaal netjes in het hokje “homoman” pas, is de homocultuur wel degelijk eentje waarin ik me beweeg, of ik wil of niet. Vandaar dat de hoofdstukken over homoseksualiteit de meeste aanknopingspunten hadden voor mij, zowel wat betreft bekende historische incidenten, theoretische vraagstukken, als ook persoonlijke identificatie. Nu is het wel goed om er even bij te zeggen dat vrijwel alle queere mannen die met naam worden genoemd in de “evil and complicated queers in history”-categorie vallen (om even een zin uit mijn favoriete queer geschiedenis podcast “Bad Gays” te gebruiken). Ik zal mezelf dan ook het plezier niet ontnemen om over dit deel van het boek te schrijven (vooral de laatste twee hoofdstukken over homoseksualiteit in Nederlands-Indië in de twintigste eeuw).
Terwijl lange tijd het om het misdrijf “sodomie” (niet procreatieve seks, zoals bijvoorbeeld anale seks) ging, ontstond er vanaf de achttiende eeuw en vooral in de negentiende eeuw de categorie van de “homoseksueel”: een soort persoon wiens verlangen gericht was op mensen van hetzelfde geslacht. Deze ‘afwijking’ wordt meestal niet alleen als een vraag van verlangen gezien, maar ook van gender. Homomannen waren vervrouwelijkt of hadden een vrouwelijke psyche binnen een mannelijk lichaam (ook vooraanstaande activisten voor homorechten, zoals de Duitse seksuoloog Magnus Hirschfeld en de Nederlandse seksuoloog Lucien von Römer, deelden deze opvatting). Dit soort persoon was vooral een medisch-psychiatrisch vraagstuk, waarbij vaak de discussie was of het was aangeboren, of ontwikkelde, en of het kon veranderen. Een gangbaar denkbeeld uit die tijd was dan ook dat mannen homoseksueel gedrag vertoonden omdat ze in een decadente of achterlijke cultuur leefden. Binnen een (koloniaal) wereldbeeld waarin sommige maatschappijen meer ontwikkeld zouden zijn dan andere kan zowel een te ver of fout ontwikkelde maatschappij (in het westen) als een onderontwikkelde maatschappij (in de koloniën) tot homoseksualiteit leiden. Deze denkbeelden werden dan ook in Nederlands-Indië besproken, vaak met de vraag wat de maatschappelijke en wettelijke kaders voor homoseksuelen moesten zijn.
In Nederlands-Indië kwam deze discussie echt op gang rond 1907 toen er in Duitsland een schandaal losbrak door de Eulenburgaffaire. Het werd publiek besproken of hooggeplaatste en prominente leden van het kabinet, leger en Keizershof rondom Prins Eulenburg homoseksuelen waren, en er waren meerdere rechtszaken hierover. Dat was niet alleen een van de grootste schandalen van het Duitse Keizerrijk, maar zette ook het onderwerp homoseksualiteit op de politieke agenda, niet alleen in Duitsland maar ook in Nederland en Nederlands-Indië.
Een probleem van hoe het onderwerp werd besproken was wel dat het vooral om uraniërs en uranisme ging (de toen in Nederland gangbare term voor homoseksualiteit). Uranisme was een Europees medisch-psychiatrisch concept over een soort mens. Het idee dat er zoiets als een seksuele identiteit bestond die je tot een soort persoon maakte, was helemaal anders dan gelegenheidshomoseksualiteit (zoals op schepen waar alleen mannen waren) of lokale tradities (waarin de maatschappelijke rol en vragen van penetreren of circluderen (*) vooraan stonden) van gelijkgeslachtelijke seks. In de discussies van destijds werd dat helaas volledig genegeerd, en werden alle manieren van gelijkgeslachtelijke seks direct als uranisme en/of pedofilie begrepen. De vermenging van homoseksualiteit en pedofilie is een klassiek stereotype, waarvan ik de oorsprongen niet precies zou kunnen traceren. De vermenging van deze twee fenomenen door de kranten in Nederlands-Indië werd bevorderd door meerdere veelbesproken gevallen van mannen in machtsposities die jongens seksueel misbruikten. Dat dat wellicht meer met macht te maken had dan met homoseksualiteit, zoals de vele gevallen van (deels op grote schaal geïnstitutionaliseerde) misbruik van vrouwen door mannen in machtsposities doet vermoeden, deed geen afbreuk aan de vermenging van ideeën over homoseksualiteit en pedofilie (the more things change, the more they stay the same).
De toenmalige media in Nederlands-Indië misten in ieder geval geen kans om over de schandalen te schrijven, en na decennia van ophitsing begon eind 1938 een grootschalige vervolging van homo- en pedoseksuelen. Die trof veel prominente figuren, zoals de seksuoloog Lucien van Römer en de kunstenaar Walter Spies. Door de vele ophef werd deze golf van arrestaties na enkele maanden weer beëindigd, maar niet voordat naar honderden mensen onderzoek werd ingesteld en bijna tweehonderd mensen werden gearresteerd.
Slot
Dit zijn maar enkele korte inkijkjes in Van Leeuwens boek. Er zijn nog veel meer details en andere onderwerpen die geen plek in deze recensie hebben (zoals bijvoorbeeld de ontzettend interessante geschiedenis van de al eerder genoemde Walter Spies, wiens activiteit op Bali een perfect leerstuk over de verhouding van homoseksualiteit en kolonialisme is). Het is een boek vol interessante en relevante geschiedenis, en verdient meegenomen te worden in ons denken over het Nederlandse kolonialisme. Het enige echte probleem dat ik met de tekst had is het taalgebruik. Zo kiest Van Leeuwen bijvoorbeeld ervoor om “blank” in plaats van wit te gebruiken omdat dit passender zou voelen voor de periode waarover ze schrijft. Ik kan me voorstellen dat het als onderzoeker vanzelfsprekend kan voelen om de taal te gebruiken van de documenten die je voor je onderzoek bestudeert. Dat toont ook een gevoeligheid voor hoe taal een belangrijk deel van een historisch moment is. Alleen denk ik niet dat het onderzoek geschaad zou zijn door het gebruik van de term “wit”. Volgens mij kunnen we de suprematistische taal van “blank” dan ook wel achter ons laten in plaats van het verder te normaliseren en wellicht enkele lezers ervan te weerhouden dit verder ontzettend leerzaam en waardevol boek te genieten.
“Indehoy! Geschiedenis van seks in Indië, 1602-1942”, Lizzy van Leeuwen. Uitgeverij: Walburgpers, € 29,99. ISBN: 9789464564488.
Nickname
Noot
(*) Circluderen is de tegenhanger van penetreren. Het gaat er daarbij om om iets op te nemen. De feministe Bini Adamczak bedacht deze term in 2016 om erop te wijzen hoe iets opnemen of iets omsluiten actief is, wat het mogelijk maakt seks nieuw te denken.
Reacties (0)
Voeg nieuwe reactie toe
Wij tolereren geen: racisme, seksisme, transfobie, antisemitisme, ableisme enz.