Hoe het IMF-beleid Kenia vernietigt
“Mensen sterven van de honger, kinderen gaan niet naar school”, zegt David Ngooma, een inwoner van Kibera, de grootste sloppenwijk van Kenia. “We zien geen enkele hulp van de regering.” Bovendien, aldus Ngooma, belast de president de armste Kenianen te zwaar. Deze ellende is een direct gevolg van de “beleidsaanbevelingen” (lees: eisen) van het Internationaal Monetair Fonds (IMF) aan het land. Het zijn dezelfde voorschriften als in de jaren negentig, die toen ook al rampzalige gevolgen hadden.
Kenia worstelt met een dubbele crisis van stijgende kosten van het levensonderhoud en toenemende schulden. In het afgelopen jaar is de prijs van suiker, een basisproduct in Keniaanse huishoudens, met 32 procent gestegen, terwijl de prijs van groenten zoals wortelen en uien met meer dan vijftig procent is gestegen. De prijs van maïsmeel, een ander Keniaans basisproduct, is de afgelopen twee jaar verdubbeld.
Bovendien verdienen negen op de tien Kenianen momenteel evenveel of minder dan aan het begin van de coronapandemie. 73 procent van de Kenianen verkeert in ernstige financiële moeilijkheden. De staatsschuld is tegenwoordig (begin 2024) bijna net zo groot als zeventig procent van het bnp (bruto nationaal product, de waarde van alles wat een land in één jaar geproduceerd heeft) en in 2023 heeft de Keniaanse overheid meer geld uitgegeven aan het aflossen van haar schulden dan aan alle andere uitgaven samen.
Meer over de Keniaanse opstand
1. Keniaanse Generatie-Z in opstand
2. Kenia’s Derde Bevrijdingsbeweging
3. De toetsenbordstrijders zijn aan de winnende hand
Bezuinigingen
Ngooma: “Vroeger kochten we unga (maïsmeel) voor tachtig Keniaanse shilling (ongeveer veertig eurocent), maar nu kost het tweehonderd en nog wat (twee en een half keer zoveel). De mensen hier zijn baanloos. Het is moeilijk om aan geld te komen, zelfs voor een pakje meel. Daarom eten de mensen maar één keer per dag.”
In een poging om de economie te redden en de schuldencrisis aan te pakken, heeft de Keniaanse president William Ruto zijn toevlucht genomen tot IMF-leningen. Zo nam hij in januari 2024 nog eens achthonderd miljoen euro op. De totale schuld van Kenia aan het IMF bedraagt nu drie miljard euro en stijgt van jaar tot jaar.
Maar in ruil voor zijn leningen dwingt het IMF landen om strenge bezuinigingsmaatregelen te nemen en hun economieën zo veel mogelijk op export te richten. Kenia is geen uitzondering. Direct na zijn aantreden in september 2022 schafte Ruto op aandringen van het IMF de bestaande subsidies op maïsmeel en brandstof af. Als gevolg daarvan schoten de prijzen van deze basisproducten omhoog. Bovendien verdubbelde de regering-Ruto in juli 2023 de btw op brandstof, van acht tot zestien procent. Ook dat was een “aanbeveling” van het IMF.
De Keniaanse econoom Ken Gichinga wijst er op dat dergelijk beleid onevenredig zwaar op de armen drukt en tegelijkertijd de algehele economische activiteit vertraagt. “Wanneer je de btw op brandstof verdubbelt, zal een gewone motortaxi chauffeur een flink stuk van zijn inkomen kwijt zijn, terwijl een directeur van een of ander bedrijf het prijsverschil misschien niet eens opmerkt, omdat brandstof voor hem of haar maar zo’n klein gedeelte van het inkomen uitmaakt.” Bovendien denkt hij dat deze maatregel averechts werkt, omdat die slecht is voor de economie: “Het zal de vraag naar goederen en diensten verminderen. Hogere brandstofprijzen betekenen minder lokale consumptie en dus minder economische activiteit.”
Christopher Obondo, een lasser uit Kibera, zegt dat deze belastingen hem in feite baanloos hebben gemaakt. “Als ik metaal ga kopen, vind ik de prijs al erg hoog. Als ik mijn klanten dan vertel over hoe duur de klus wordt die ik moet doen, vinden ze dat te kostbaar. Daardoor krijg ik geen werk meer.” Door de hoge voedselprijzen beginnen veel Kenianen honger te lijden. “Ik eet nog maar één maaltijd per dag, meestal alleen het avondeten. En zelfs dat avondeten is niet genoeg. Ik heb dan nog steeds honger.”
Als reactie op de belastingverhogingen en het afschaffen van subsidies braken er in 2023 vier grote protesten uit in Nairobi (hoofdstad van Kenia), twee in maart en twee in juli. Uiteindelijk werden minstens dertig mensen door de politie gedood en werden honderden anderen gearresteerd. Kenianen waren woedend dat de regering zich strikt aan het IMF-model hield, en de belastingdruk voor de armen verhoogde, terwijl de kosten van levensonderhoud toch al zo snel opliepen. Uiteindelijk zwichtte president Ruto voor de druk van de straat en voerde hij de brandstofsubsidie opnieuw in. Het IMF bekritiseerde deze maatregel heftig.
De macht van het IMF in Kenia is helaas niets nieuws. In 2011 zette het de regering van Mwai Kibaki onder druk om op brandstof btw te gaan heffen. Dit beleid had echter een nadelig effect op de economie. De inflatie steeg, bedrijven hadden moeite om de stijgende kosten op te vangen en de economische groei vertraagde. Tegenwoordig is de btw slechts een van de negen belastingen die de regering op brandstof heft, waarbij de regering-Ruto begin 2024 ook nog eens de Petroleum Regulatory Levy (speciale heffing op aardolieproducten) verdrievoudigde.
Structurele aanpassingsprogramma’s
Aan het begin van de jaren tachtig dwongen het IMF en de Wereldbank de meeste Afrikaanse leiders, van gekozen presidenten tot dictators, om enorme leningen bij hen aan te gaan en zich te houden aan het strenge neo-liberale model dat zij voorstonden. Om goedkeuring voor deze leningen te krijgen, eisten zij dat leiders “structurele aanpassingsprogramma’s” (sap’s) zouden doorvoeren. Deze programma’s schreven strenge bezuinigingen en besparingen op sociale uitgaven voor, terwijl de betreffende economieën zich moesten gaan concentreren op export en grondstofwinning. Voor de meeste landen betekende dit dat de geldstromen naar het onderwijs en de gezondheidszorg opdroogden, terwijl hun export voor het westen goedkoper werd. Volgens het IMF zou dit model de economische groei stimuleren en een einde maken aan de armoede. Het tegenovergestelde gebeurde.
Nadat regeringen van landen uit het zuiden van de wereld de structurele aanpassingsprogramma’s uitvoerden, verdubbelde in Sub-Sahara Afrika tussen 1981 en 2001 het aantal mensen dat in armoede leefde bijna, “van 164 miljoen naar 316 miljoen mensen die van minder dan één dollar per dag moesten leven”, zoals de Wereldbank vaststelde. Tussen 1980 en 1998 daalde het bnp per hoofd van de bevolking in Sub-Sahara Afrika met vijftien procent. In de twintig jaar daarvoor (1960-1980), dus vóór de invoering van structurele aanpassingsprogramma’s, was het bnp per hoofd van de bevolking echter met 36 procent gestegen.
Al in 1991 wees VN-secretaris-generaal Javier Pérez de Cuéllar het IMF aan als een van de belangrijkste oorzaken van armoede in Afrika en de achteruitgang van de economie in dat continent. “De verschillende structurele aanpassingsprogramma’s – die de middenklasse ondermijnen, arbeiders verarmen, deuren sluiten die net waren opengegaan voor basisrechten als onderwijs, voedsel, huisvesting en medische zorg, en die ook rampzalige gevolgen hebben voor de werkgelegenheid – storten samenlevingen, en met name de jongeren, vaak in wanhoop.”
Als gevolg van de structurele aanpassingsprogramma’s heeft Sub-Sahara Afrika tussen 1980 en 2004 229 miljard dollar aan het westen overgemaakt in de vorm van schuldbetalingen. Rond 2004 betaalde het continent jaarlijks zo’n vijftien miljard dollar aan schuldbetalingen aan de rijkste landen. Dit is meer dan het continent ontving aan hulp, nieuwe leningen en investeringen.
De regio die in deze periode echter de grootste vermindering van de armoede kende was Oost-Azië. Dat was nu juist het gebied waar het IMF geen strenge bezuinigingsmaatregelen had opgelegd. Volgens de Wereldbank leefde aan het begin van de jaren tachtig 58 procent van de bevolking van Oost-Azië van minder dan één dollar per dag, en was daarmee het gedeelte van de wereld met de meeste extreme armoede. Tegen het einde van de eeuw had Sub-Sahara Afrika die positie overgenomen.
Neo-liberalisme
Een voorbeeld hiervan was Kenia. De regering daar stemde in 1980 in met het eerste sap met de Wereldbank en in 1982 met het IMF. Het land was traag met het doorvoeren van neo-liberale aanbevelingen, zoals het afschaffen van invoerrechten en het beperken van overheidsdiensten, wat leidde tot een bescheiden bnp-groei van ruim vier procent voor de jaren tachtig – een daling overigens ten opzichte van de zeven procent in de zeventiger jaren. Vanaf het midden van de jaren tachtig verlaagde Kenia echter de invoerbelastingen, versoepelde douanecontroles en bevorderde de export via verschillende organisaties. Het bnp nam in deze periode af en kromp in de jaren negentig met 2,2 procent.
In dezelfde periode stegen de voedselprijzen en breidde de hongersnood zich fors uit. Aan het begin van de jaren zeventig leefde ongeveer een derde van de Kenianen in armoede, en tegen het einde van de jaren negentig meer dan de helft. Volgens de Verenigde Naties is het aantal Kenianen dat in armoede leeft meer dan verviervoudigd, van 3,7 miljoen in 1973 tot zeventien miljoen in 2003. Het verbeteren van de economie van Kenia door neo-liberaal beleid met sap’s is een jammerlijke mislukking gebleken.
Alleen voor de Keniaanse elite was er sprake van groei: Kenianen met een universitaire opleiding zagen hun inkomen verdrievoudigen, terwijl het inkomen van Kenianen met een middelbare schoolopleiding met de helft daalde. Door de neo-liberalisering is de ongelijkheid in Kenia dus flink toegenomen.
Kenia vandaag
Na jarenlang leningen te hebben verstrekt aan de autoritaire leider van Kenia, Daniel arap Moi, besloot het IMF uiteindelijk in 2000 daarmee te stoppen vanwege zijn schaamteloze corruptie. Na een onderbreking van drie jaar begon het IMF opnieuw leningen te verstrekken aan de nieuwe president, Mwai Kibaki, die in 2002 aan de macht was gekomen.
Kibaki koos er echter voor een nieuwe richting in te slaan: financiering door China. In het daaropvolgende decennium overschaduwden de leningen van China die van het IMF en de Wereldbank, die daardoor veel minder invloed hadden op het overheidsbeleid. Tegen het einde van het decennium was de armoede sterk verminderd en het bnp gegroeid.
Uiteindelijk bezweek de regering-Kibaki toch voor de druk van het IMF, toen zij in 2011 vanwege een ernstige droogte om geld verlegen zat. Als gevolg daarvan was Kibaki gedwongen zich aan de voorschriften van het IMF te houden, en kwam er btw op brandstof.
De volgende Keniaanse regeringen hebben het ‘”ook East”-beleid van Kibaki losgelaten en zijn voor leningen teruggekeerd naar het IMF en de Wereldbank. Op het eerste gezicht leek het alsof het IMF geleerd had van zijn desastreuze beleid in Sub-Sahara Afrika. Het kwam met een nieuwe aanpak: “Social Spending Floors”, dat moest voorkomen dat regeringen te sterk zouden bezuinigen op sociale uitgaven. Volgens Oxfam was dit een “schijnvertoning”, omdat het IMF aan de ene kant arme landen adviseerde voldoende geld te besteden aan sociale voorzieningen, maar hen tegelijkertijd dwong vier keer zoveel aan bezuinigingen door te voeren. Zo stond het IMF erop dat de huidige Keniaanse regering-Ruto fors zou bezuinigen op gezondheidszorg en onderwijs. Daardoor verdrievoudigde bijvoorbeeld het collegegeld van de openbare universiteiten. Bovendien schreef het IMF de regering-Ruto voor de hogere inkomens minder zwaar te belasten, zodat de armen nu een groter deel van de belastingen voor hun rekening moeten nemen.
Wie profiteert van het systeem?
In tegenstelling tot de Verenigde Naties worden de Wereldbank en het IMF bestuurd volgens het principe van één dollar, één stem, en zijn de meeste stemrechten zodoende in handen van de rijke landen. De Verenigde Staten hebben zelfs een absolute meerderheid aan stemmen en kunnen dus elk voorstel wat hen niet bevalt torpederen. Bovendien is de directeur van het IMF volgens een ongeschreven wet altijd een Europeaan.
In 2015 ontving Afrika bijna honderdveertig miljard euro in de vorm van betalingen, hulp en leningen. Het continent raakte echter ruim honderdzeventig miljard euro kwijt door schuldaflossingen, belastingontwijking door westerse bedrijven en een oneerlijke lage prijs voor grondstoffen. Zodoende ging het continent er in één jaar ruim dertig miljard euro op achteruit.
In 2023 merkte VN-secretaris-generaal António Guterres op: “Sommige regeringen (van arme landen) worden gedwongen te kiezen tussen het aflossen van schulden of het niet uitbetalen van salarissen van werkers in de publieke sector.” Hij voegde eraan toe dat “Afrika nu meer uitgeeft aan schuldaflossing dan aan gezondheidszorg”. Volgens Guterres bevoordelen de regels van het IMF rijke landen op oneerlijke wijze. Tijdens de Coronapandemie ontvingen zeven rijke landen met een gezamenlijke bevolking van 772 miljoen mensen, tweehonderdtachtig miljard dollar van het IMF, terwijl de armste landen met een bevolking van 1,1 miljard, acht miljard dollar kregen. “Dit gebeurde helemaal volgens de regels”, zei Guterres, “dat is “immoreel”.
Buitenlandse banken profiteren indirect van de sap’s. Door bezuinigingen op sociale voorzieningen en privatisering van overheidsbedrijven voor te schrijven, zorgt het IMF er voor dat er meer geld overblijft voor het aflossen van schulden aan de buitenlandse banken. Om hen van dienst te zijn, verplicht het IMF regeringen van arme landen om geld weg te halen bij de gewone, arme mensen.
De Keniaanse activiste Njoki Njehû vindt het opdringen van staatsschulden een vorm van kolonialisme: “Kolonisatie is niet meer wat het was in de tijd van het Britse rijk. Het gaat nu heel anders. Er zijn nu geen duizenden soldaten nodig om een land te veroveren. Je hebt alleen een paar mensen nodig die het ministerie van Financiën bezetten.”
Nicholas Ford
Het originele artikel “The IMF’s Policies Are Destroying Kenya, Again” verscheen maart 2024 in Jacobin. Vertaling en bewerking: Jan Paul Smit.
Reacties (0)
Voeg nieuwe reactie toe
Wij tolereren geen: racisme, seksisme, transfobie, antisemitisme, ableisme enz.