De wortels van de welvaartsstaat
De verzorgingsstaat die in de negentiende eeuw is ontstaan is niet simpelweg het product van één ideologie of beweging, maar van een complex samenspel van diverse krachten. Het concept is niet statisch maar een dynamisch en evoluerend construct.
Bovenstaande citaten, geplukt in het boek van Eric van der Ven, geven redelijk goed weer wat onze verzorgingsstaten zijn. Men mag het onvolledig vinden of een beetje vaag, maar het is moeilijk het er oneens mee te zijn. De uitgangspunten, zo kan men denken, zitten goed.
De auteur geeft van bij de inleiding ook correct aan wat zijn positie is als historicus. Hij ontwikkelde tijdens zijn studententijd een ‘passie voor de Vlaamse Beweging’ (p.39) en het is die politiek-ideologische achtergrond, zo zegt hij zelf, die een belangrijke drijfveer heeft gevormd voor dit boek.
Zo wordt bevestigd wat al meteen een vermoeden was. De auteur was ook de inspiratiebron voor het essay dat premier Bart De Wever enkele maanden geleden publiceerde over ‘Welvaart’.
Het is natuurlijk dom die twee werken in de verkeerde volgorde te lezen. En ik vraag me in alle eerlijkheid af of ik dit boek zou gelezen hebben zoals ik het gelezen heb, mocht ik de mening van Bart De Wever over dit onderwerp niet kennen. In het laatste deel van dit boek, over de uitdagingen en de toekomst van de verzorgingsstaat, stapt van der Ven stapt af van de academische redeneringen en geeft zijn persoonlijke visie weer. Hierdoor verdwijnt alle twijfel. We krijgen te lezen hoe het Vlaams nationalisme denkt over wat er met onze sociale zekerheid moet gebeuren. In dit opzicht is dit boek bijzonder belangrijk en interessant. Maar het is in eerste instantie een politiek boek, ondanks de inspanningen van de auteur om dit als een historisch werk voor te stellen.
Mesopotamië, het Azteekse Rijk of Rome?
De twijfels rijzen al bij het eerste hoofdstuk. De ‘wortels van de welvaartsstaat’ zoeken in het Romeinse keizerrijk is een gedurfde aanpak, maar we weten dankzij onze premier waar die visie vandaan komt. En uiteraard dat er in het oude Rome mechanismen bestonden om arme sukkelaars te helpen. Maar die bestonden zeker en vast ook in Mesopotamië of bij de Azteken. Stellen dat hieruit onze sociale zekerheid geboren is, lijkt me dan ook een gewaagd punt.
Het leidt ook meteen tot één van de grote misverstanden in dit boek: álle politieke systemen kenden manieren om arme mensen in nood te helpen, maar armenhulp is iets geheel anders dan sociale zekerheid, laat staan een verzorgingsstaat. De auteur gebruikt niet alleen alle termen door elkaar – armenhulp, sociale zekerheid, welvaartstaat, verzorgingsstaat, sociaal beleid, zorg), nergens stelt hij dat er een fundamenteel verschil zit tussen ‘hulp’ ‘voor wie het nodig heeft’ en een systeem gebaseerd op rechten en een verzekeringsprincipe in samenwerking met sociale bewegingen. Precies daarin ligt het innovatieve en exclusieve van onze verzorgingsstaat en niet toevallig is het precies dat wat rechtse politieke krachten ook willen laten verdwijnen.
De geschiedenis van die verzorgingsstaat voorstellen als een rustige stroom van hulpmechanismen met telkens toch dezelfde logica ontstaan in het oude Rome, is bijzonder misleidend. Het principe van onze sociale zekerheid, met daarnaast openbare diensten, arbeidsrecht en armenhulp is uniek. Hoe divers dit systeem in Europa en enkele landen daarbuiten ook is ingevoerd, het was telkens wel gebaseerd op burgerschap en rechten en was, althans in theorie, universeel. Dus niet enkel ‘voor wie het nodig heeft’.
Die basisfout houdt wellicht verband met de neoliberale visie op sociaal beleid zoals die o.m. door de Wereldbank mondiaal wordt gepromoot. Men noemt het – ten onrechte – ook ‘sociale bescherming’ maar is enkel bedoeld voor arme mensen. Een visie die in het laatste hoofdstuk van het boek weer wordt vermeld, kwestie van betaalbaarheid, heet het dan.
De rol van de Staat
Er is echter nog een verband dat hier moet worden vermeld, omdat het ‘voor de toekomst’ nog een belangrijke rol speelt. Ettelijke keren wordt in dit boek herhaald dat, vanaf de Romeinse tijd, er een besef is gegroeid over de verantwoordelijkheid van de Staat -of de overheid – voor het welzijn van de mensen (pp. 26, 79, 82, 197, 236, 255, 282, 345, 352, 383, 404, 442, 549). Dag mag zijn, maar het klopt natuurlijk niet voor ons huidig systeem van sociale zekerheid dat wordt betaald door werknemers en werkgevers. Ook al draagt de overheid bij, dit fundamentele verschil is van cruciaal belang om te oordelen over het systeem. En het maakt de gelijkstelling met armenhulp totaal onaanvaardbaar.
Op dit punt is het trouwens niet geheel duidelijk of ondanks dit hameren op ‘de verantwoordelijkheid’ van de Staat, de auteur ook van mening is dat dit zo moet blijven. In het laatste hoofdstuk wordt plots gewezen op de ‘collectieve verantwoordelijkheid van de samenleving’ (p. 639) en wordt gesteld dat ‘burgers zich moeten afvragen of de overheid werkelijk alles moet verzorgen’ (p.650).
Wellicht speelt hier precies wat ook mondiaal wordt voorgesteld: de Staat wil volledige controle op wat ‘basisbehoeften’ worden genoemd, zonder inspraak van sociale partners. De ‘collectieve verantwoordelijkheid van de samenleving’ komt neer op privatisering van pensioenen en gezondheidszorg met daarnaast wat de katholieke leer voorstaat: ‘zorg en naastenliefde staan centraal’ (p. 605).
Er kan m.i. niet voldoende op gewezen worden dat wie wil nadenken over de toekomst van de verzorgingsstaat – iets wat inderdaad dringend nodig is om de gerichte aanvallen van de rechterzijde daadkrachtig te kunnen afwenden – toch moet beseffen dat die verzorgingsstaat niét het product is van ‘de Staat’, maar het resultaat van sociale strijd die heeft geleid tot inderdaad pragmatische compromissen.
De auteur doet in dit boek krampachtige pogingen om de rol van die sociale strijd te minimaliseren, vandaar telkens de verwijzing naar de ‘complexe’ historische processen. Eventjes wordt priester Daens vermeld, maar Charles Woeste is de auteur blijkbaar onbekend. In de bibliografie ontbreekt elke verwijzing naar het interessante boek van Jaak Brepoels of het werk van Herman Deleeck, twee auteurs die toch een heel ander geluid over het ontstaan van de sociale zekerheid laten horen.
En de toekomst?
De toekomst is in die onvolmaakte visie voorspelbaar.
Volgens de auteur is het de linkerzijde die meent dat enkel de Staat kan zorgen voor sociale rechtvaardigheid en een strijd tegen de ongelijkheid. Dat moet worden herzien. (p. 549).
De huidige sociale zekerheid staat voor torenhoge kosten en de financiering is onhoudbaar geworden (p. 560).
Tel daarbij dat het project België onmiskenbaar is mislukt en niet effectief functioneert (p.568). Er is geen ‘gedeeld cultureel, taalkundig, maatschappelijk fundament’ (p. 568). Er is daarom een radicale herstructurering nodig. Conservatieven zijn ook voor solidariteit, maar in een breder moreel en economisch kader, aldus de auteur (p. 577). Er zijn daarom politici nodig ‘die de moed hebben om het stuur radicaal om te gooien, zelfs als dat betekent dat ze tegen de stroom in moeten varen en de storm van verzet trotseren – verzet van extreme ideologische kampen, verstarde belangengroepen en populistische sirenenzangen’ (p. 581). ‘Sociale afbraak’ is een ‘discursieve verklikker’, wie dat zegt heeft doorgaans geen empirische gegevens om het te staven (p. 582). Nogmaals: ‘er is geen nationale cultuur of gemeenschappelijke basis om de sociale zekerheid in de huidige vorm te behouden of te hervormen’ (p. 591).
‘Men kan niet blijven bouwen op een verrotte constructie. Als conservatief is dit pijnlijk, maar de harde waarheid. De enige manier om dit te overwinnen, is door die zuilen met de grond gelijk te maken’, zo citeert de auteur een anonieme bron van 2024 (p. 625).
Kortom, het middenveld zit in de weg, het verklaart de discussies over vakbonden en mutualiteiten.
En uiteraard zijn er ‘strenge migratieregels nodig om de duurzaamheid van de verzorgingsstaat’ te garanderen. Dat heeft niets met extreem-rechts, maar alles met pragmatisme te maken (p. 678).
Enkele bladzijden eerder: een foto van Ernest Renan, vader van het ‘civiele nationalisme’ dat ook de auteur huldigt. Uitleg is er echter niet bij. Renan was een negentiende eeuwse Franse filosoof met bedenkelijke stellingen over ras en democratie.
Even bedenkelijk is de verwijzing naar de oude allegorie van Menenius in het oude Rome, over het organisme waarin elk onderdeel een specifieke functie had maar waarin samenwerking ook essentieel was. Het is een verhaal dat we een kleine eeuw geleden ook hoorden. Ieder op zijn plaats.
Besluit
De auteur heeft een indrukwekkend boek geschreven met een lang historisch overzicht. Volledig kon het nauwelijks zijn, maar het weglaten van de sociale strijd in de negentiende eeuw is wel een minpunt. Het klopt uiteraard dat de verzorgingsstaat niet enkel het gevolg is van een ideologische strijd, politieke macht, angst voor sociale opstanden, eugenisme, militarisering, ze speelden allemaal een rol. Zeker in België is de sociale zekerheid een compromis tussen arbeid en kapitaal dat echter tegelijk – onvolmaakt – voor een paritair beheer heeft gezorgd.
De auteur heeft een duidelijke visie op wat de verzorgingsstaat kan worden, gebaseerd op denkbeelden die in onze maatschappij al sterk aanwezig zijn. Het is daarom jammer dat een aantal uitgangspunten gewoon fout zijn: de sociale zekerheid mag herverdelend zijn, maar de eerste functie is verzekering; welvaart is niet welzijn; natievorming leidt niet noodzakelijk naar nationalisme; armenzorg is geen verzorgingsstaat en is geen deel van enig ‘sociaal contract’. Die tekortkomingen zijn jammer omdat de auteur stelt een dialoog te willen. Voor de linkerzijde zullen deze uitgangspunten wellicht onoverkomelijk zijn.
Dat neemt niet weg dat ook de linkerzijde bijzonder dringend aan het huiswerk moet beginnen. ‘Nu spreken over hervormingen is gevaarlijk’, zo werd me onlangs gezegd. De rechterzijde heeft haar plannen echter klaar, is aan de macht en kan beginnen uitvoeren. Hoe wordt erop geantwoord? Met protest, uiteraard, maar denkt er iemand dat het systeem ongewijzigd zal blijven bestaan? Is het niet absoluut en dringend nodig een aantal basisprincipes vast te leggen, uitgangspunten waarover wél of helemaal niet kan gediscussieerd worden, zoals inkomenszekerheid, paritair beheer en rol van het middenveld, het verzekeringsprincipe, welvaartsvastheid, universalisme …
Al veertig jaar lang wordt vanuit het mondiale niveau aangestuurd op een afschaffing van het verzekeringsprincipe – een rol voor de privé-sector – en voor een vervanging van sociale zekerheid en openbare diensten door armenzorg. Vandaag staat zelfs die armenzorg op de helling, samen met het liberalisme. Indien de linkerzijde geen strategie heeft om het maatschappelijk goed te verdedigen is ze reddeloos verloren. ‘Onder het puin ligt de hoop’, ‘sous les pavés la plage’, maar wie haalt dat puin en die kasseien nu eindelijk weg?
Reacties (0)
Voeg nieuwe reactie toe
Wij tolereren geen: racisme, seksisme, transfobie, antisemitisme, ableisme enz.