Voorbij de natiestaat: intercommunalisme in het denken van Huey P. Newton en Zwart anarchisme
De verhouding tussen links en nationalisme heeft door de geschiedenis heen verschillende vormen aangenomen. Voor veel Zwarte radicalen in de VS was het duidelijk dat zij niets te winnen hebben met de natiestaat. Mathijs van de Sande laat zien hoe het intercommunalisme van de Black Panther Huey P. Newton, die op 22 augustus 1989 werd neergeschoten, een alternatief biedt voor nationalisme.
Met de Russische inval in Oekraïne, de genocide in Palestina en Libanon, de ontvoering van president Maduro uit Venezuela, de recente aanval op Iran en dreigende oorlogstaal jegens Cuba zijn oorlog en imperialisme niet meer weg te denken uit onze huidige politieke realiteit. Radicaal-links heeft altijd geworsteld met de vraag hoe zich hiertoe te verhouden. Aan de ene kant houdt links het recht op zelfbeschikking voor onderdrukte “volkeren” traditioneel hoog in het vaandel, wat zich bijvoorbeeld vertaalt naar steun voor de onafhankelijkheidsstrijd van de Palestijnen of de Koerden.
Tegelijkertijd hebben arbeiders geen vaderland, zoals Marx en Engels al schreven: nationalisme en de natiestaat dienen uiteindelijk vooral als instrument voor de heersende klasse om werkende mensen tegen elkaar uit te spelen. Toch zijn radicaal-linkse bewegingen er lang niet altijd in geslaagd om de nationalistische verleiding te weerstaan. In tijden van oorlog, maar ook in het verzet tegen kolonialisme en imperialisme, werd het belang van de eigen natiestaat niet zelden boven internationale solidariteit gesteld. Hoe voorkomen we dat links naar deze verleiding afglijdt? Of beter, hoe kan links onderdrukte “volken” blijven steunen zonder af te glijden naar nationalisme?
De idee van “de commune” heeft het potentieel een belangrijk alternatief te bieden. Huey P. Newton, mede-oprichter en ideoloog van de Black Panther Party, introduceerde in de jaren zestig de term “intercommunalisme” als alternatief voor het nationalistische vertoog van sommigen van zijn radicaal-linkse tijdgenoten. De term wordt ook nu nog gemobiliseerd door Zwarte anarchistische denkers in de VS en bevat interessante lessen voor radicaal-links, ook in Europa.
Intercommunalisme en de BPP
Het begrip intercommunalisme kent een lange voorgeschiedenis. Als een van de oprichters van de Black Panther Party for Self-Defense (BPP) vervulde Newton in 1966 een belangrijke rol in de formulering van het Tien Punten-programma van de partij. Dat programma bestond uit een lijst van tien concrete eisen, variërend van zelfbeschikking voor Zwarte gemeenschappen en het beëindigen van racistisch politiegeweld tot het recht op land, huisvesting, brood, onderwijs en kleding. Daarnaast werden deze eisen ingebed in een bredere visie op het streven naar zelfbeschikking en het recht op zelfverdediging van Zwarte gemeenschappen. Aanvankelijk streefde de BPP dan ook naar een onafhankelijke staat voor Zwarte Amerikanen, mede geïnspireerd door Zwarte nationalistische denkers als Malcolm X en Kwame Ture.
Maar in de loop der jaren veranderde er iets in het discours van de Panthers. Hoewel het programma van de partij al vanaf het begin een sterke anti-kapitalistische component had, begon klasse een steeds belangrijkere rol te spelen. Dit opende de deur naar een meer internationalistisch perspectief en naar nieuwe vormen van samenwerking met andere gemarginaliseerde en uitgebuite groepen. In 1969 sloot Fred Hampton, de prominente Panther-leider in Chicago, zijn Rainbow Coalition met vertegenwoordigers van andere gemeenschappen (zoals de Chicano Brown Berets, de Puerto Ricaanse Young Lords en de witte arbeidersjongeren van de Young Patriots).
In de tussentijd was Newton in 1967 in de gevangenis beland vanwege zijn vermeende betrokkenheid bij de dood van een politieagent – waarvoor hij in 1970 uiteindelijk zou worden vrijgesproken. Na zijn vrijlating presenteerde hij een ander perspectief op internationalisme en nationale identiteit. “Het feit dat onze voorouders werden ontvoerd en gedwongen naar de Verenigde Staten te komen”, zo schreef hij in die periode, “heeft ons gevoel van nationale identiteit vernietigd. Omdat ons eeuwenoude culturele erfgoed werd verbroken, zijn we minder gaan vertrouwen op onze geschiedenis als leidraad en zoeken we onze weg in de toekomst.”
Het uiteindelijke doel van de BPP zou daarom niet moeten zijn om te streven naar zelfbeschikking in het verband van een natiestaat. In plaats daarvan dienden de Panthers te streven naar een onmiddellijke “vernietiging van het staatsbestel zelf”. Tegelijkertijd confronteerde dit Newton met een dilemma. Het was het hoogtepunt van de Vietnamoorlog en de Panthers hadden zich onomwonden solidair verklaard met het Vietnamese Nationale Bevrijdingsfront. Toch wrong hier iets voor Newton: hoe kon je, als organisatie die zelf het streven naar nationale zelfbeschikking achter zich had gelaten, het bevrijdingsnationalisme van andere groepen kritiekloos blijven steunen? Veronderstelt solidariteit met gemeenschappen elders in de wereld niet juist dat je streeft naar een wereld zonder nationale scheidslijnen en begrensde natiestaten? Newton schrok ook van het nationalistische sentiment dat hij soms in eigen gelederen aantrof. Zo waren lang niet alle Panthers het ermee eens om de Vietnamese revolutionairen materiële steun te bieden in hun strijd tegen Amerikaans imperialisme. Hadden Zwarte Amerikanen die middelen immers niet hard nodig voor hun eigen strijd? Hier moest iets veranderen, aldus de partijideoloog.
Het is in deze context dat Newton tegen het begin van de jaren zeventig het begrip intercommunalisme introduceerde. Hij beschreef hoe de Verenigde Staten in de tweede helft van de twintigste eeuw in een imperiale macht was veranderd. De Amerikaanse elite dicteerde niet alleen het binnenlandse economisch beleid, maar ook dat van veel andere landen en hun regeringen. De elite had daardoor geen gedeeld belang meer met het eigen land. Newton citeert een van de topbestuurders van autofabrikant Ford: “Het is ons doel om in elk land vertegenwoordigd te zijn. Wij zien de wereld zonder grenzen. Wij beschouwen onszelf niet in de eerste plaats als Amerikanen. Wij zijn een multinationale onderneming.” De economische elite had de natiestaat losgelaten en leefde in een geglobaliseerde wereld, waarin andere landen waren gereduceerd tot onderdrukte gemeenschappen. Deze situatie omschrijft Newton als “reactionair intercommunalisme”. In wezen was die ontwikkeling reactionair, omdat het slechts de belangen van de oligarchie van de Verenigde Staten diende. Maar het creëerde wél de ontstaansmogelijkheid voor een radicaal alternatief voor de natiestaat.
De taak van revolutionairen moest zijn om dit potentieel aan te wenden voor hun eigen doel. Zwarte Amerikanen konden zich, net zoals hun Vietnamese kameraden, bevrijden van kapitalistische structuren, de productiemiddelen toeëigenen, hun eigen communale politieke instituties vormen en nieuwe transnationale netwerken van autonome gemeenschappen creëren. Juist Zwarte Amerikanen konden hier het voortouw in nemen, aldus Newton, omdat zij ontheemd waren en geen enkel belang deelden met de natiestaat, waarvan zij slechts op papier burgers waren. Onder hun leiding kon reactionair intercommunalisme dus worden veranderd in wat Newton “revolutionair intercommunalisme” noemt: het streven naar een wereld waarin politieke macht is geconcentreerd op het niveau van lokale gemeenschappen die elk over hun eigen publieke instellingen beschikken.
In sommige opzichten wordt Newtons idee van intercommunalisme gezien als een vroege voorloper van Michael Hardt en Antonio Negri’s stelling dat de natiestaat is vervangen door een gedeterritorialiseerd “Empire”. Rond het begin van deze eeuw stelden zij ook dat een anti-imperialistische politiek om die reden niet gevoerd kon worden door nationale bevrijdingsbewegingen, maar slechts door een genetwerkte “multitude” die bestaat uit een eindeloze serie van transnationale relaties en praktijken. Maar het doet ook in veel opzichten denken aan wat revolutionaire Parijzenaren in 1871 al nastreefden: een “commune van communes” waarin lokale gemeenschappen zich niet in een verticale verhouding tot een centraal staatsorgaan bevinden, maar een decentraal netwerk van gemeenschappen dat over nationale grenzen heen reikt.
Van zelfverdediging naar dienstverlening
Newtons pleidooi voor intercommunalisme ging gepaard met een andere verschuiving in de politiek van de BPP. Oorspronkelijk lag de nadruk vooral op het belang van zelfverdediging van Zwarte gemeenschappen. Bewapening van de eigen beweging werd gezien als een belangrijke voorwaarde voor het welzijn en overleven van die gemeenschappen. Het was tevens een effectieve manier om het staatsmonopolie van een inherent racistische staat te ondergraven. Maar vanaf het einde van de jaren zestig gingen veel afdelingen van de BPP zich nadrukkelijker richten op sociale dienstverlening. Het ontbijtprogramma voor schoolkinderen is hiervan slechts het meest in het oog springende voorbeeld: in de loop der jaren creëerden de Panthers een indrukwekkende infrastructuur van zorginstellingen, voedsel- en kledingbanken, juridische ondersteuning, wooncoöperaties, scholen en crèches. Ook het Tien Punten-programma werd in de loop der jaren aangepast: waar het vroeger uitsluitend over Zwarte Amerikanen ging, werd dit nu vaak aangevuld met “onderdrukte gemeenschappen” en hier en daar met “arme mensen”. Vrij toegankelijke gezondheidszorg werd als afzonderlijke eis opgenomen in het programma, net als het beëindigen van alle Amerikaanse agressie-oorlogen.
Niet alle partijafdelingen waren blij met deze intercommunalistische benadering. Sommige critici, onder wie partijprominent Eldridge Cleaver, benadrukten het belang van gewapende strijd en internationale samenwerking met anti-imperialistische regimes elders in de wereld. Anderen waren sceptisch over de inhoudelijke verbreding van de strijd en de samenwerking met andere gemarginaliseerde groepen in de samenleving, onder wie ook witte arbeiders. Zoals Joshua Bloom en Waldo E. Martin betogen in hun gezaghebbende boek over de geschiedenis van de BPP, was er altijd al sprake van een inherente spanning in de politiek van de partij. Enerzijds was de aanvankelijke focus op zelfverdediging en bewapening een belangrijke factor voor de aantrekkingskracht en het zelfvertrouwen van de Panthers. Door het sociale dienstverleningsprogramma werd de organisatie tegelijkertijd een acceptabele samenwerkingspartner voor het meer gematigde middenveld. In de loop van de jaren zeventig bleek dit precaire evenwicht niet meer houdbaar en begon de BPP uit elkaar te vallen.
Tegelijkertijd opende Newtons intercommunalisme nieuwe deuren om na te denken over alternatieven voor het kapitalisme en de raciale staat. In een aantal opzichten begon zijn denken sterke gelijkenissen te vertonen met het anarchisme. Zo was hij kritisch over de idee van de arbeidersklasse als revolutionair subject. Automatisering van het productieproces zou arbeidskracht grotendeels overbodig maken, zo verwachtte hij (een argument dat vandaag, in de context van opkomende kunstmatige intelligentie opnieuw opgeld doet). De onderdrukte klasse van de toekomst zou vooral bestaan uit baanlozen, met name Zwarte mensen en mensen van kleur, die niet langer nodig waren als industrieel reserveleger. In navolging van de Russische anarchist Michaïl Bakoenin en Frantz Fanon zag Newton daarentegen meer revolutionair potentieel in het Lumpenproletariat: de sociale verschoppelingen die niet pasten in het witte, masculiene en validistische beeld van “de arbeider”, en die geen enkel belang hadden bij het in stand houden van de status quo. Daarnaast zag Newton weinig potentieel in de staat als revolutionair instrument. Ook dat verklaarde zijn interesse in een intercommunalisme dat niet alleen nadruk legt op het belang van transnationale samenwerking tussen lokale gemeenschappen, maar tevens een andere politieke en institutionele vorm voorstelt waarmee die gemeenschappen zich kunnen organiseren: de commune.
De commune en Zwarte duale macht
De idee van de commune heeft een bredere resonantie in radicale Zwarte theorie. George Jackson, prominent gevangenisactivist en een van de Soledad Brothers, beschrijft hoe de stadscommune de institutionele basis kan bieden voor een revolutionaire politiek. Zwarte anarchistische theoretici zoals Lorenzo Kom’boa Ervin, Mobido Kadalie en William C. Anderson zien de commune meer concreet als een vorm van zelforganisatie. Een van de centrale premissen die ten grondslag liggen aan Zwart anarchisme is dat de staat een inherent racistische structuur is. De staat heerst door de mensheid in verschillende categorieën op te delen – zo ook in raciale categorieën – en kent ze op basis daarvan een deel van de aarde en haar beschikbare bronnen toe. Daarmee is de staat meer dan slechts een instrument in de klassenstrijd, ze staat juist aan de wortel van elk klassenonderscheid. Zwart anarchisme wijst daarom elk streven naar “burgerschap” of “erkenning” voor Zwarte mensen af als doel van hun emancipatiestrijd. Daarom is het ook kritisch op Zwart nationalisme, dat in haar streven naar een onafhankelijke Zwarte natiestaat miskent hoezeer racisme inherent verweven is met de staat als structuur. Zwart anarchisme streeft naar volledige autonomie voor Zwarte en andere geracialiseerde gemeenschappen, hetgeen niet alleen institutionele onafhankelijkheid impliceert maar ook een kwalitatief ander begrip van wat “autonomie” betekent.
De commune biedt een radicaal ander perspectief op politieke organisatie, dat breekt met de racistische essentie van de staat. Zwart anarchistische theoretici schrijven een aantal essentiële kenmerken toe aan deze politieke vorm. Allereerst weerlegt de commune elk kolonialistisch begrip van de sociale en politieke orde – die in wezen top-down is. De commune kent geen grenzen en kan niet worden opgelegd aan gemeenschappen, maar krijgt vorm en inhoud van onderaf. De commune veronderstelt een federalistische en bottom-up visie op organisatie en is gebaseerd op vrijwillige associatie. Daarmee dient het ook de belangen van geracialiseerde groepen die door eeuwen kolonialisme, slavernij en gedwongen migratie ontheemd zijn geraakt. Ten tweede leent de commune zich voor directe emancipatie op het niveau van het alledaagse leven. Het veronderstelt gemeenschappelijke controle over de productiemiddelen en bevordert daarmee de grip van gewone mensen op hun alledaagse leef- en werkomgeving.
Tot slot, impliceert de idee van de commune een radicaal andere notie van politieke ruimte. Net zoals de Commune van 1871 alleen maar kon ontstaan omdat de staat zich uit Parijs had teruggetrokken, is vandaag verzet vooral mogelijk op die plekken waar lokale gemeenschappen zich aan staatscontrole weten te onttrekken. Zoals veel anarchisten benadrukken Zwarte anarchistische denkers daarom het belang van “bevrijde zones”: het creëren van enclaves, al dan niet tijdelijk, waarin grassrootsvormen van organisatie onafhankelijk van en tegen de staat kunnen ontstaan.
Kadalie zoekt hiervoor inspiratie in de historische gemeenschappen van Marrons die zichzelf van de slavernij hadden bevrijd. Ervin benadrukt het belang van buurtactivisme: voedselcoöperaties, lokale onafhankelijke media maar ook kraken als middel om nieuwe woonruimte te ontsluiten voor Zwarte en andere gemarginaliseerde gemeenschappen. Hij pleit voor het creëren van een duale machtsbasis die naast de bestaande statelijke orde vorm krijgt en deze van onderaf probeert te ondergraven. De commune kan zo een concreet alternatief bieden voor lokale overheden en uiteindelijk een opstap vormen naar structurele vervanging van de staatsvorm.
In navolging van de communalistische denker Murray Bookchin menen sommige Zwarte anarchisten dat deelname aan lokale verkiezingen een eerste aanzet kan vormen om dit soort lokale overheden van binnenuit te veranderen. Een concreet voorbeeld hiervan is Cooperation Jackson in de Amerikaanse stad Jackson, Mississippi. Deze beweging probeert enerzijds nieuwe stadscommons te creëren die een economische basis kunnen bieden voor de emancipatie van lokale Zwarte gemeenschappen, en zoekt tegelijkertijd institutionele macht door met succes deel te nemen aan gemeenteraads- en burgemeestersverkiezingen. Ook Newton en een aantal afdelingen van de BPP hebben in de loop van de jaren zeventig geprobeerd om langs deze municipalistische weg hun machtsbasis te versterken. Maar veel Zwarte anarchisten, zoals Ervin, staan juist kritischer tegenover de electoraal-representatieve democratie als revolutionair middel. Vanuit hun perspectief dient representatieve democratie slechts om gemeenschappen intern te verdelen en om initiatief weg te halen bij lokale actiegroepen – en staat het zodoende haaks op het bouwen van duale macht als een revolutionaire strategie. Intercommunalisme voor de eenentwintigste eeuw?
Intercommunalisme voor de eenentwintigste eeuw
Wat kan links in bredere zin leren van dit debat over de commune als vorm van politieke zelforganisatie? En wat biedt Newtons begrip van “intercommunalisme” ons in deze tijden van oorlog en imperialistische machtspolitiek? Met de verkiezing van Zohran Mamdani als burgemeester van New York lijkt lokale politiek in elk geval weer op de radar te staan van veel linkse bewegingen. Hoe men zijn inhoudelijke agenda ook waardeert: het toont aan dat er op lokaal niveau veel potentieel ligt voor mobilisatie op basis van een anti-kapitalistische boodschap. Mamdani’s overwinning bewijst dat links ook op het vlak van buurt- en stadspolitiek een wereld te winnen heeft.
Tegelijkertijd leren de experimenten van de BPP en hedendaagse Zwarte anarchistische denkers ons dat zo’n communalistische strategie valt of staat met het vermogen om alternatieve infrastructuren te creëren die het dagelijks leven van gemarginaliseerde groepen in de samenleving concreet kunnen verbeteren. De vraag is of en hoe dit compatibel kan worden gemaakt met een municipalistische strategie die zich vooral richt op het verwerven een machtsbasis binnen de bestaande publieke (staats)instituties op lokaal niveau.
Belangrijker is wellicht de manier waarop intercommunalisme de legitimiteit van nationalisme en de natiestaat als politieke vorm ter discussie stelt. In een tijd waarin de wereld wordt verscheurd door conflicten tussen geopolitieke grootmachten en hun vazalstaten, heeft links des te meer redenen om voorbij de grenzen van de natiestaat te kijken. Natuurlijk was Newton (net als Hardt en Negri rond het begin van deze eeuw) te snel in zijn conclusie dat nationalisme geen betekenis meer heeft in een snel globaliserende wereld. Niet alleen in de Verenigde Staten maar ook daarbuiten is het monster van het nationalisme vandaag de dag nog springlevend, met alle gevolgen van dien.
Wél van onverminderd belang is Newtons stelling dat radicaal-links geen belang heeft bij een internationalisme dat slechts de idee van de begrensde natiestaat (als revolutionair vehikel of zelfs als doel) in stand houdt – zij het wellicht in spiegelbeeld. Echte transnationale solidariteit impliceert een radicaal ander begrip van politieke gemeenschap en van de institutionele vorm waarmee deze zichzelf kan organiseren. “De commune” en “intercommunalisme” blijven twee gerelateerde ideeën die radicaal-links zouden kunnen helpen om een nieuwe stip aan de horizon te plaatsen. Ze bieden ook concrete handvatten om dat doel in de alledaagse praktijk van het hier en nu al gedeeltelijk te realiseren.
Mathijs van de Sande
(Dit artikel verscheen eerder in Jacobin nr. 5, voorjaar 2026. Van de Sande doceert politieke filosofie aan de Radboud Universiteit Nijmegen. In zijn onderzoek houdt hij zich bezig met protest, sociale bewegingen en radicale democratie. De afgelopen jaren deed hij onderzoek naar de impact van de Parijse Commune van 1871 op radicale theorie in de jaren 1960.)
Reacties (0)
Voeg nieuwe reactie toe
Wij tolereren geen: racisme, seksisme, transfobie, antisemitisme, ableisme enz.