Forum voor Anarchisme
ArtikelenDe AnarchokrantDossiersEventsWiki // Hulp bronnenContact // InzendingForum
|
anarchokrant24 oktober 2026

Van mei ’68 tot 6-7 oktober?

Author: Globalinfo.nl | GEPLAATST DOOR: De Anarchokrant | Bron: globalinfo.nl

Foto: Bernard Chevalier

Als je in je vuistje hebt gegniffeld bij het bekijken van filmpjes van tieners die zich bezighouden met ‘aura-battles’, als je aan iemand die jonger is moest vragen wat ‘farmer’ nu eigenlijk betekent, of als je de trends op het schoolplein uit principe oppervlakkig en belachelijk vindt, dan is dit artikel iets voor jou.

Zijn eigen handelingen behoren niet langer aan hem toe, maar aan iemand anders die ze voor hem representeert [1]

(Noot van de vertaler: CRS = De Franse ME)

Guy Debord plaatst aan het begin van het eerste hoofdstuk van *De spektakelmaatschappij* een gedachte van Ludwig Feuerbach, waarin staat: „Onze tijd [2]… geeft de voorkeur aan het beeld boven de zaak, aan de kopie boven het origineel, aan de voorstelling boven de werkelijkheid, aan de schijn boven het wezen… Wat voor haar heilig is, is slechts de illusie, maar wat profaan is, is de waarheid. Sterker nog, het heilige wint in zijn ogen aan betekenis naarmate de waarheid afneemt en de illusie toeneemt, zodat het toppunt van de illusie voor hem ook het toppunt van het heilige is” [3]

Negenenvijftig jaar na de publicatie van *De spektakelmaatschappij* zou het verleidelijk zijn om in de smartphones die voor middelbare scholen worden opgehouden, de TikTok-video’s, de memes en de ‘aura-battles’ – die korte aanwezigheidsduels waarbij twee personen om beurten een cirkel betreden totdat het geluid van het publiek aangeeft wie er wint – de bijna letterlijke vervulling van deze diagnose te zien. De eerste generatie die volledig is gesocialiseerd in de digitale wereld en haar beelden zou uiteindelijk niet meer in staat zijn om te demonstreren zonder zichzelf onmiddellijk te tonen terwijl ze demonstreert, waardoor het conflict tot inhoud en de blokkade tot decor wordt omgevormd. Toch zou er iets paradoxaal weinig Debordiaans zijn aan het op deze manier reduceren van het ‘spektakel’ tot een simpele wildgroei aan beelden. Guy Debord zelf verwerpt deze reductie expliciet wanneer hij stelt dat ‘het spektakel geen verzameling beelden is, maar een sociale relatie tussen mensen, gemedieerd door beelden’ [4]

Het heeft dus geen zin om een zogenaamd authentieke ervaring tegenover de vervaagde weergave ervan te plaatsen, en al helemaal niet om te geloven dat lichamen politiek zouden zijn zolang ze handelen, en vervreemd zodra hun handelen het onderwerp wordt van een filmische weergave.

De toeschouwer* „handelt ook“, hij of zij „observeert, […] selecteert, […] vergelijkt, […] interpreteert“, schrijft Jacques Rancière [5], waarbij hij de verdenking die op de toeschouwer rust, omkeert en zich in dit opzicht expliciet distantieert van de Debordiaanse kritiek op het spektakel. Kijken is niet de antithese van handelen: emancipatie begint juist wanneer de scheiding niet langer vanzelfsprekend is tussen degenen aan wie het vermogen wordt toegekend om te begrijpen wat ze doen, en degenen die door hun positie als toeschouwer veroordeeld zouden zijn tot het passief ontvangen van een betekenis die door anderen zou worden gecreëerd.

De generatiegebonden minachting die wordt opgeroepen door het nieuwe sociaal-culturele fenomeen van de ‘aura-battles’ weerspiegelt uiteindelijk vrij goed dit oude wantrouwen – dat Jacques Rancière in verband brengt met een platonische matrix – ten aanzien van beelden en de positie van toeschouwers. Degenen die beweren te weten wat een echte demonstratie is, leggen aan de mensen die zich vandaag in de strijd storten uit dat ze niet weten wat ze doen; degenen die zich beroepen op hun kennis van de revolutionaire geschiedenis beschikken al over een soort esthetische politie die bepaalt hoe een strijd eruit moet zien, tot en met de emoties die daarbij zijn toegestaan. Daarnaast is er een op het eerste gezicht recenter wantrouwen, dat echter opmerkelijk goed aansluit bij het vorige: elke opgeheven telefoon zou het bewijs zijn dat een hele generatie jongeren voortaan niet meer in staat is de wereld te beleven anders dan via een scherm, anders dan via de weergave ervan.

Deze hele kleine wereld bevindt zich natuurlijk aan de goede kant: die kant waar men het weet. Nodigt de huidige situatie ons daarentegen niet uit om de vraag om te draaien? „Alles wat direct werd beleefd, is vervaagd tot een voorstelling” [6], schrijft Guy Debord al in de eerste stelling van *De spektakelmaatschappij*. De ‘aura-battles’ volgen echter niet simpelweg de omgekeerde weg, alsof beelden die zogenaamd tot schermen beperkt zijn plotseling in lichamen herboren zouden worden. De opkomst van nieuwe opstandige iconen vervaagt deze scheiding: ze ontstaan rechtstreeks uit de lichamen op het moment dat ze beelden worden, zonder op te houden invloed uit te oefenen op de gebaren waaruit ze voortkomen. Hun traject is daardoor veel dubbelzinniger en gaat in meerdere richtingen. Van schermen naar speelplaatsen, van memes naar blokkades, van een battle die voor de grap wordt georganiseerd tot een confrontatie met een cordon van CRS: beelden en gebaren circuleren voortdurend tussen online en offline ruimtes. Wat een scheiding leek te zijn, schept soms de voorwaarden voor een nieuwe mede-aanwezigheid.

Op Mayotte (Frans Overzees gebied in de Stille Oceaan, vert.) werd het Lycée du Nord in M’tsangadoua al op 31 augustus geblokkeerd; in Cayenne gebeurde dat op 7 september met het Lycée Félix-Éboué. Deze beelden zijn veel minder verspreid dan de beelden die daarna vanuit het Franse vasteland de sociale media overspoelden. Een oude koloniale geografie van de zichtbaarheid, waarbij wat er in de overzeese gebieden gebeurt gemakkelijk buiten beeld blijft van het nationale verhaal, totdat elders beelden opduiken die bestemd zijn om de symbolen van de beweging te worden. In Cayenne worden al vanaf 7 september eisen geformuleerd rond de materiële omstandigheden van het onderwijs. Dit feit verdient het om in herinnering te worden gebracht, omdat de beweging die we vervolgens via de beelden ontdekken, begint met iets dat zo weinig spectaculair is als een openbare dienst die materieel onleefbaar is geworden.

Blokkade van het lyceum van Bandrélé, begin oktober (foto: Mayotte la 1re)

Vrijdag 2 oktober, in Montpellier: de middelbare scholieren die vanuit Clemenceau waren vertrokken, voegen zich bij Joffre na de eerste traangasaanvallen en de eerste aanhoudingen. Weer een arrestatie, weer traangas. Dan barst er voor de neus van de CRS een dansfeest los. In Bussy-Saint-Georges, in Seine-et-Marne, ontstaat er spontaan een ‘aura-battle’: Michael Jackson treedt de cirkel binnen, na Batman, Spider-Man en de opblaasbare T-Rexen die de blokkades al enkele dagen bevolken. De reels stromen binnen, betoveren de beweging en werken stimulerend.

In Montpellier raakt een zeventienjarige middelbare scholier ernstig gewond aan haar oog; elders verliezen tieners tanden of het zicht in één oog, en een knalgranaat scheurt de hand van een vijftienjarige middelbare scholier af. Op 2 oktober waren meer dan vijfduizend mensen aangehouden, waarvan 85 % minderjarigen, zoals de minister van Binnenlandse Zaken zelf heeft toegegeven [7]. Sylvain George is op deze zelfde website begonnen met het veel systematischer bijhouden van dit overzicht van de repressie [8]

Jongeren die voor de politie dansen, kunnen worden gezien alsof ze de ernst van wat er met hen gebeurt niet helemaal begrijpen; deze infantilisering maakt het vervolgens veel gemakkelijker om te denken dat het aan de gewapende volwassenen aan de overkant is om hen eraan te herinneren wat ernst werkelijk inhoudt. Helmen, vizieren, schilden, vesten, scheenbeschermers, aan het lichaam vastgemaakte wapens en geuniformeerde silhouetten mogen niet overkomen als kostuums. De bijna onbedoelde gelijkenis tussen superheldenkostuums (waar zijn onze heldinnen trouwens?) en politie-uitrusting zorgt echter voor een merkwaardige visuele aarzeling. De politieagenten presenteren zich daarentegen als de natuurlijke vorm van legitiem gezag, terwijl Batman, Spider-Man of de opblaasbare dinosaurus meteen duidelijk maken dat ze tot de wereld van de vermommingen behoren.

En toch maakt hun naast elkaar plaatsen plotseling zichtbaar wat door de gewoonte als vanzelfsprekend was gaan gelden. Ook de staat werkt aan zijn silhouetten: tekenen van macht, technische uitbreidingen van het lichaam en een iconografie van onkwetsbaarheid. Het belachelijke doet uiteraard niets af aan de materiële asymmetrie; de T-Rex blijft van plastic en de LBD (Lanceur de balles de défense, granaatgeweer, vert) kan verminkingen veroorzaken. Maar gedurende enkele minuten wankelt in ieder geval de verdeling waarbij verklede tieners ‘spelen’, terwijl overuitgeruste volwassenen zich serieus bezighouden met het handhaven van de orde.

Het vergt zelfs enige inspanning om de T-Rex nog steeds te beschouwen als de enige vermomde figuur in het tafereel. Spider-Man maakt meteen duidelijk dat hij een fictief personage is; de politieagent daarentegen ontleent een deel van zijn symbolische kracht aan het feit dat zijn helm, zijn harnas, zijn wapens, zijn kleur, zijn aangeleerde gebaren en de gestandaardiseerde vorm van zijn silhouet niet langer op ons overkomen als elementen van een enscenering. Voor het Parijse lyceum Hélène Boucher zongen middelbare scholieren „De Imperiale Mars“ uit Star Wars terwijl een rij CRS-agenten op hen afkwam. Een paar noten zijn genoeg, en de helmen worden stormtrooperhelmen, wat ze een seconde eerder nog niet waren en wat ze toch altijd al een beetje waren geweest. Niets is symmetrisch, en het zou het beeld miskennen om dat te beweren: de eerste, Spider-Man, kan hooguit belachelijk zijn, terwijl de tweede, de politieagent, beschikt over de materiële macht van de staat. De materiële asymmetrie maakt de visuele verwarring echter interessanter, omdat het kostuum dat toegeeft een kostuum te zijn, de ander enkele seconden dwingt om weer zichtbaar te worden als kostuum.

„CRS = SS”, een slogan die voor het eerst opdook tijdens de mijnstakingen van 1948 en vervolgens op grote schaal opnieuw werd gebruikt in 1968, zorgde er al voor dat politieagenten niet langer werden gezien als vertegenwoordigers van legitiem geweld, maar werden geplaatst in een iconografie van staatsgeweld. Een beeld dat van elders is overgenomen, brengt de officiële interpretatie van de scène in de war. De „politie“ is volgens Jacques Rancière „een orde van lichamen die de scheidslijnen definieert tussen de manieren van doen, de manieren van zijn en de manieren van spreken“, die lichamen aan bepaalde plaatsen toewijst en beslist welke woorden als discours zullen worden gehoord en welke als lawaai [9]

Een politie-orde is geslaagd wanneer een plek zich niet meer als plek manifesteert: de politieagent lijkt gewoon een politieagent te zijn en de leerling gewoon een leerling. De directeur zal binnenkort de gelegenheid krijgen om hetzelfde te constateren. Wat de toeschouwer betreft: zijn of haar rol lijkt vanzelfsprekend zolang hij of zij blijft waar hij of zij is geplaatst. Ieder op zijn plek; en vooral: niemand mag de plek zien.

De middelbare school is een van die grote mechanismen voor de verdeling van tijd, ruimte en capaciteiten. Op een bepaald tijdstip binnenkomen, in een bepaald lokaal plaatsnemen, wachten tot een leraar komt of tot er eindelijk een invalkracht is gevonden, een cijfer krijgen, een dossier invullen, begeleid worden, ingedeeld worden en vervolgens via Parcoursup worden verdeeld. De mobilisatie begint wanneer deze overeenstemming tussen een identiteit en de bijbehorende plaats uiteenvalt. Men gaat niet meer naar de middelbare school, maar verplaatst de vuilnisbakken voor de deuren; de straat wordt een verzamelplaats; leerlingen van verschillende scholen ontmoeten elkaar; een minderjarige filmt een politieagent; mensen van wie de instelling gewoonlijk verlangt dat ze een beoordeling ondergaan, bedenken een absurd beoordelingssysteem waarin ze elkaar miljarden ‘aura-punten’ toekennen. Pas wanneer een lichaam ‘de plaats die hem was toegewezen’ verlaat en een ruimte van bestemming verandert, begint de politiek bij Jacques Rancière [10].

Een korte samenvatting voor de volwassenen achterin. Met een olympische kalmte danst de elfjarige Rayyan Arkan Dikha op de boeg van een boot die meedoet aan een traditionele Pacu Jalur-race in Indonesië, en zorgt daarmee in de zomer van 2025 voor veel ophef op internet. Hij ‘farmt’ aura. De uitdrukking deed echter al de ronde: op 28 januari 2024 had een TikTok-gebruiker het bijschrift ‘Aura Farming’ toegevoegd aan een bowlingvideo waarin het erom ging veel indruk te maken terwijl het leek alsof hij geen enkele moeite deed. De term verspreidde zich vervolgens als een olievlek onder animefiguren en streamers, voordat de Indonesische video er in 2025 zijn onvrijwillige ‘profetische kind’ aan toevoegde. Rayyan, die vooraan op de boot zat in de traditionele rol van togak luan, danste echter niet voor TikTok en ook niet in de hoop een of andere teller te laten stijgen. Daarnaast waren er al de ‘aura-punten’, die de kleinste gebaren van het dagelijks leven fictief belonen of bestraffen. Een jaar later stapt de grap van het scherm af. In Brazilië ontstaan er aan het begin van de zomer van 2026 kampioenschappen; op 4 juli komen meer dan tweehonderd mensen bijeen in het Parque Max Feffer in Suzano, vlakbij São Paulo, voor een wedstrijd georganiseerd door contentmaker Uvitinho. Het duurt een paar seconden voordat het effect zich laat voelen, waarna het geluid van het publiek bepaalt wie in de cirkel blijft. De trend verspreidt zich vervolgens naar andere delen van Latijns-Amerika, om na de zomervakantie weer op te duiken in Franse onderwijsinstellingen en vervolgens voor hun afgesloten hekken.

‘Farmen’ betekent in de wereld van videogames het herhalen van bepaalde handelingen om grondstoffen te verzamelen of een teller te laten stijgen. Toegepast op de ‘aura’ verandert de term iets dat zo moeilijk te meten is als stijl of charisma in een denkbeeldig kapitaal dat net zo snel kan instorten als het is gegroeid. Terzijde: sommigen spreken van ‘sociale gamificatie’, waarbij gamificatie verwijst naar het introduceren van elementen uit het spelontwerp in situaties die zelf geen spellen zijn [11]. Het begrip, dat rond de jaren 2010 voet aan de grond kreeg in kringen die nauw verwant zijn aan de marketing, verwijst ook naar het inzetten van de krachten van het spel om activiteiten buiten de spelwereld productief te maken, zoals leren, werken, gedrag aanpassen, een beoordeling accepteren of de strijd aangaan, met de vrij hedendaagse belofte dat een verplichting aangenamer wordt zodra er punten voor worden toegekend. Emmanuelle Savignac wijst terecht op het vervreemdende potentieel van het spel, in zoverre dat het kader waaraan men zich tijdens het spelen houdt, zelf niet langer als een voorschrift hoeft te worden ervaren [12]

De ‘aura battles’ nemen deze taal van de meting over, totdat die begint te mislukken. Terwijl het kleinste gebaar een denkbeeldige winst of een score kan opleveren, kan een misstap een strafpunt opleveren, dat vervolgens in een triomf kan veranderen als degene die net is gestruikeld erin slaagt op een voldoende goede manier het podium te verlaten. Vanuit dit perspectief vormen de aura-punten een vrij directe voortzetting van de likes, ranglijsten en statistieken die de platforms nu al structureren. Maar het vreemde aan de aura-punten is dat ze de meting die ze beweren in te voeren, vrijwel onmiddellijk saboteren. Kortom, de aura-punten hebben de obsessie met meten uit het hedendaagse kapitalisme overgenomen om er een valuta van te maken waarvan niemand de stand bijhoudt. De statistiek wordt zo willekeurig dat ze uiteindelijk de mogelijkheid zelf om te meten parodieert, een taak die aan Pronote is toevertrouwd. Dit maakt het niet automatisch tot een antikapitalistische praktijk, net zomin als ironie ons op magische wijze beschermt tegen de sociale vormen die we belachelijk maken. Maar het fenomeen blijft dubbelzinniger dan louter een puberale verinnerlijking van competitie. Sterker nog: de battle neemt de logica van persoonlijke waardering over waar platforms van profiteren, terwijl ze tegelijkertijd een waarde creëert waarvan de inconsistentie een echte boekhouding onmogelijk maakt.

TikTok, Marvel, Dragon Ball, GTA, het gemondialiseerde voetbal, de drill of manga’s zijn geen elementen die buiten het kapitaal staan en die plotseling de politiek zouden hebben besmet. Ze zijn afkomstig uit industrieën waarvan de economie berust op het eigendom van vormen en het trekken van de aandacht. Het heeft echter weinig zin om hieruit te concluderen dat hun oorsprong hun gebruik voor eens en voor altijd vastlegt. De betekenis van een teken moet immers niet worden toegewezen aan de plaats waar het is geproduceerd; deze betekenis evolueert en krijgt verschillende lading naargelang de situatie. Een beweging beschikt trouwens nooit over een voorraad ongeschonden utopieën waaruit ze symbolen zou kunnen kiezen die eindelijk ontdaan zijn van hun compromissen. Ze werkt met wat er is, dat wil zeggen met objecten die beladen zijn met geschiedenis, overheersing, genot, commercie en tegenstrijdigheden. Guy Debord en Gil J. Wolman hadden deze verschuiving al in 1956 theoretisch onderbouwd onder de naam ‘détournement’ [13].

Tien jaar later kondigde André Bertrand, een student uit de kring van de situationisten, in Straatsburg ‘De ellende onder studenten’ aan met een gedetourneerde strip, ‘De terugkeer van de Durutti-kolonne’ [14]

De Guy Debord die vandaag de dag wordt aangehaald in de strijd tegen memes, had dus zelf nagedacht over de politieke kracht van gecompromitteerde vormen [15], terwijl hij ook het tegenovergestelde bedacht: de (weder)toe-eigening, waardoor het spektakel datgene verwerkt wat het betwist.

Op donderdag 1 oktober, voor het geblokkeerde Ambroise-Paré-lyceum in Laval, betreedt schoolhoofd Philippe Minzière op uitnodiging van zijn leerlingen een bepaalde kring en neemt hij deel aan een battle die inmiddels viraal is gegaan. Hij blijft op buitengewone wijze schoolhoofd en bespaart iedereen de – altijd enigszins deprimerende – huzarenstukje van een schoolhoofd dat zich tussen de tieners als een tiener gedraagt. Integendeel, hij blijft buitengewoon schoolhoofd. Zijn waardigheid blijft hem zelfs tijdens de battle bij, en de lichte professionele stijfheid waarmee hij eraan deelneemt, draagt bij aan de hilariteit. Met andere woorden: de battle heeft zijn rol niet tenietgedaan en niemand is vergeten wie de poort kan openen of straffen kan opleggen. Het heeft zijn rol juist zichtbaar gemaakt. Gedurende enkele seconden overdrijft Philippe Minzière, het schoolhoofd, het geheel enigszins. Hij ziet zichzelf als schoolhoofd temidden van een opstelling die niet bij zijn functie hoorde en accepteert dat zijn aanwezigheid daar een onderwerp wordt dat zowel kan worden toegejuicht als bespot. Het is een effect dat lijkt op dat van de opblaasbare T-Rexen voor de CRS. De openlijke vermomming benadrukt juist de vermomming die zich nooit als zodanig openbaart. Het uniform of de autoritaire houding maken de functies onmiddellijk herkenbaar, zodanig dat men vergeet dat ze deze ook in scène zetten. Macht hoeft helemaal niet nep te zijn om theatraal te zijn. Ze wint zelfs een deel van haar kracht wanneer haar tekens zo vaak zijn herhaald dat ze niet langer als tekens overkomen. Enkele dagen later komen de rollen trouwens weer volop tot hun recht: hetzelfde schoolhoofd, die vijandig staat tegenover blokkades, krijgt met bepaalde leerlingen weer een heel andere, conflictueuze relatie.

Sociale media hebben de tijd die we besteden aan het onderhouden van ons eigen imago aanzienlijk vermerderd, niet in de zin dat er zich achter een misleidende avatar een ongeschonden werkelijk bestaan zou verbergen, maar omdat we voortaan een evenwicht moeten vinden tussen wat we doen en wat onze profielen daarvan kunnen laten zien. Een ongelukkige foto verdwijnt, een oude mening duikt tien jaar later weer op. Het opgebouwde beeld vereist een zekere trouw aan zichzelf. Hoe meer we over onszelf vertellen, hoe kostbaarder het wordt om niet langer in overeenstemming te zijn met het geproduceerde verhaal. Vanuit dit perspectief zou ‘aura farming’ de bijna grotesk volmaakte vorm van digitale reïficatie kunnen lijken: het volstaat niet langer om sociaal of cultureel kapitaal te bezitten, men moet ook kapitaal halen uit de manier waarop men loopt, kijkt, een spel verliest of weer opstaat na een val. De aanwezigheid zelf wordt een waarde die moet worden uitgebaat. En… hier haalt de battle de logica waaruit ze voortkomt een beetje onderuit. De beste manier om aura te verliezen zou theoretisch zijn om belachelijk over te komen; maar belachelijkheid is juist overal aanwezig. Je overdrijft een pose, je speelt een manga-gebaar na met een onmogelijke ernst, je trekt een gek gezicht naar je tegenstander, je accepteert dat een beweging mislukt onder het gejuich van de toeschouwers. Om te kunnen blijven ‘farmen’, moet je soms ophouden je imago te beschermen. De uitstraling kan ontstaan op het moment dat je erin slaagt om een verkeerde beweging te benutten en er een onderdeel van het spel van te maken, in plaats van voort te komen uit een perfecte zelfbeheersing. Hoewel het digitale dubbelbeeld natuurlijk niet verdwijnt – iedereen filmt –, krijgt de identiteit wel een klein barstje.

Dit kleine gebrek aan samenhang betreft overigens niet alleen de avatar. Sébastien Charbonnier, een van de auteurs op deze website, beschreef de onderdrukking van de beweging als een manier om „kinderen te corrigeren, zodat ze de volwassen komedie beter kunnen naspelen”. We denken aan het schoolhoofd die zijn aura laat zien: juist wanneer een houding overdreven wordt, of wanneer een opvallend nepkostuum naast het uniform wordt geplaatst, komt de naad weer tevoorschijn.

Een cirkel waarin twee lichamen naar elkaar toe stappen om een kwestie van prestige te regelen, is overigens geenszins een uitvinding van TikTok. Er is geen direct genealogisch verband dat het rechtvaardigt om de ‘aura-battles’ af te leiden van breaking of voguing, en het zou nogal grof zijn om de zwarte en Latino, soms queer, geschiedenis waaruit deze praktijken voortkomen te vervlakken om een meme van Gen Z achteraf een zekere noblesse te verlenen. In de battle-cyphers van de South Bronx laat Imani Kai Johnson zien hoe de cirkel een manier organiseert om de ruimte te betreden, te reageren en een reputatie op te bouwen, zonder dat de uitdaging kan worden teruggebracht tot een louter technische demonstratie [16]. In een andere sociale context hebben de ballrooms van de pose zelf een kracht van presentatie en collectief oordeel gemaakt. Hoewel een ‘battle d’aura’ dit niet rechtstreeks overneemt, zorgt hun aanwezigheid er in ieder geval voor dat deze oude praktijk – waarbij men zijn lichaam ten toon stelt ten opzichte van andere lichamen en de verschijning zelf tot de plaats van de uitdaging maakt – niet als een specifiek digitale extravagantie wordt beschouwd.

Er is ook een verontrustende verwantschap met de militante clownerie te bespeuren. Tijdens de protesten tegen de G8 in Gleneagles in 2005 trok de Clandestine Insurgent Rebel Clown Army in legeruniformen en met rode neuzen op, imiteerde op een gekke manier de gebaren van de politie en poetste de schilden op. Hetzelfde vreemde effect als bij de T-Rex: we hoeven niet te weten dat de CIRCA heeft bestaan om ons vreemden te maken ten opzichte van de politie.

Aan de vooravond van 17 oktober zou het natuurlijk belachelijk zijn om nu al te beslissen welke vormen zullen blijven bestaan. Het is eigen aan folklore die nog in wording is dat ze bestaat uit dingen waarvan nog niemand weet welke volgende maand in de vergetelheid zullen raken en welke, achteraf gezien, de herkenbare kenmerken van een bepaald moment zullen worden. Revolutionaire folklore doet wat alle vormen van folklore doen wanneer ze nog levend zijn: ze steelt. En hij vergeet ook maar al te graag dat hij folklore is. Mei ’68 komt vandaag de dag tot ons via een iconografie die zo zorgvuldig is geselecteerd en herhaald dat ze lijkt alsof ze altijd al tot de essentie zelf van de opstandige beweging heeft behoord. En de markt heeft ervoor gezorgd dat het definitief tot erfgoed werd verklaard toen, ter gelegenheid van de veertigste verjaardag, affiches van de Ateliers populaires onder de hamer gingen bij Drouot. Het komische aan deze situatie is dat we middelbare scholieren hun afhankelijkheid van beelden verwijten, terwijl we impliciet van hen eisen dat ze politiek gaan bedrijven, gekleed zoals in de fotoalbums uit de jaren zestig. De middelbare scholieren van 2026 zijn geenszins verplicht om de beelden te creëren waarnaar wij nu al nostalgisch terugverlangen.

Ze hoeven evenmin eerst de juiste vorm voor een eis te vinden om gehoord te worden. Politiek begint ook wanneer een uitspraak die men graag als lawaai zou willen afdoen, erin slaagt om als uitspraak gehoord te worden [17]

Ik wil hier twee zaken met elkaar in verband brengen die in het publieke debat vaak snel van elkaar worden gescheiden om een slecht geweten te sussen: de relschoppers en de eis voor fatsoenlijke studieomstandigheden. Het feit dat er een raam van een middelbare school wordt ingegooid, betekent nog niet dat degenen die dat doen het verdwijnen van de openbare dienst willen; omgekeerd verplicht het verdedigen van een middelbare school als openbare dienst niemand om al haar bezittingen of de institutionele vorm die ze heeft aangenomen als heilig te beschouwen. Je kunt om leraren vragen en tegelijkertijd de schoolorde die selectie organiseert, bekritiseren. Je kunt van studeren houden en tegelijkertijd vinden dat er duizend dingen opnieuw uitgevonden moeten worden. Ik herken hier een fatalisme dat mij bekend is, zowel bij de millennials als bij de zillennials, die hebben geleerd zich voor te bereiden op de volgende stap terwijl ze de horizon zien wegglijden die daar betekenis aan had moeten geven. Een vluchtig heden, waarin de toekomst vooral bestaat in de vorm van wat er administratief op vooruit moet worden geanticipeerd. De klassenstrijd is er al: ze doorkruist de mogelijkheid zelf om plannen te maken voor de toekomst, omdat de toekomst niet voor iedereen evenveel kost.

Eén probleem blijft onopgelost: de ‘aura-strijd’ is door en door generatiegebonden, zelfs in het feit dat ze voor volwassenen gedeeltelijk ondoorzichtig blijft, terwijl de politiek ervan uitgaat dat een onrecht verder reikt dan degenen die er direct onder lijden. Hoe wordt een boodschap die voortkomt uit de marginalisering van de jeugd een boodschap die niet alleen voor ‘de jongeren’ geldt? In Rennes demonstreerden vier middelbare scholieren achter dit bord: „Oud genoeg om met traangas bestookt te worden, maar niet om te demonstreren“. Of hoe de juridische minderheid verandert in een politieke tegenstrijdigheid.

Nogmaals Guy Debord: „Naarmate de noodzaak maatschappelijk wordt gedroomd, wordt de droom noodzakelijk. Het spektakel is de nare droom van de geketende moderne samenleving, die uiteindelijk slechts haar verlangen om te slapen uitdrukt. Het spektakel is de bewaker van deze slaap“. Voor Joffre, op 2 oktober, is heel duidelijk te zien wie de wacht houdt. De hoogste rang van de nationale politie draagt een naam die je niet zomaar verzint: ‘vredeshandhaver’. De vrede die zij bewaken lijkt sterk op die slaap, die van een orde die graag zou willen dat we haar kostuums niet zien en haar rollen voor natuurlijke toestanden aanzien. De vraag is wie er droomt. Niet de tiener in zijn Spider-Man-kostuum: hij weet dat hij verkleed is, laat dat zien en speelt ermee. Degene die staande slaapt, is de man met de helm die ervan overtuigd is dat hij geen kostuum draagt, en de columnist die ervan overtuigd is dat hij alleen maar schermen voor zich heeft.

De dromer die weet dat hij droomt, is al aan het ontwaken; de ‘aura-battle’ lijkt op dat moment. En wat ons doet ontwaken, zowel in het park van Suzano als voor de hekken van Joffre, is misschien wel dat punt waarop het lawaai hoorbaar wordt zonder helemaal op te houden lawaai te zijn, waarop de spraak iets behoudt van het kabaal waaruit ze is voortgekomen. De ordehandhavers hebben LBD’s en granaten. Daartegenover staat een opblaasbare T-Rex en veel lawaai. Je hebt nog nooit iemand wakker gemaakt door te fluisteren.

Coline Rousteau

Een eerste ingeving voor deze tekst ontstond tijdens een gesprek met mijn vriend Simone Buzzi.

Deze eerste overwegingen zullen in een volgende tekst verder worden uitgediept. Ook dank aan mijn vriend Frédéric en mijn vriendin Zoé voor het lezen en hun scherpzinnige opmerkingen.

Noten (meest niet vertaald):


[1] Guy Debord, La Société du spectacle, Paris, Gallimard, 1992, § 30, p. 31.


[2] Deze beschouwing van Feuerbach, geschreven in 1843, richt zich op de samenleving van zijn tijd, die van de 19e eeuw, en meer in het bijzonder op de neiging van het moderne religieuze en filosofische bewustzijn om voorrang te geven aan voorstellingen en illusies ten koste van de werkelijkheid. Debord, die dit citaat als motto voor *De spektakelmaatschappij* (1967) gebruikte, past het toe op de moderne kapitalistische samenleving van het midden van de 20e eeuw.


[3] Ludwig Feuerbach, « Préface » à la deuxième édition de L’Essence du christianisme, cité dans Guy Debord, La Société du spectacle, op. cit., chap. I, « La séparation achevée ».


[4] Ibid., chap. I, § 4.


[5] Jacques Rancière, Le Spectateur émancipé, Paris, La Fabrique, 2008, p. 19.


[6] Guy Debord, La Société du spectacle, op. cit., § 1.


[7] Op 2 oktober om 20.13 uur meldt Laurent Nuñez dat er sinds het begin van de week „meer dan 5.000“ aanhoudingen zijn verricht en geeft hij aan dat 85 % van de aangehouden personen minderjarig is. Le Monde.fr


[8] Sylvain George, « L’ordre contre la jeunesse. Violence d’État et gouvernement de l’interruption », lundimatin, n° 536, octobre 2026.


[9] Jacques Rancière, La Mésentente. Politique et philosophie, Paris, Galilée, 1995, p. 51-52.


[10] Ibid., p53, Jacques Rancière schrijft dat „politieke activiteit die activiteit is waarbij een lichaam wordt verplaatst van de plek die het was toegewezen, of waarbij de bestemming van die plek wordt gewijzigd”.


[11] Sebastian Deterding, Dan Dixon, Rilla Khaled et Lennart Nacke, « From Game Design Elements to Gamefulness. Defining Gamification », Proceedings of MindTrek, 2011.

[12] Emmanuelle Savignac, « La gamification et le pouvoir productif du jeu en questions », Inflexions, 2025/2, n° 60, p. 97-104.


[13] Guy-Ernest Debord et Gil J Wolman, « Mode d’emploi du détournement », Les Lèvres nues, n° 8, mai 1956.


[14] André Bertrand, Le Retour de la colonne Durutti, Strasbourg, 1966. Voir « Nos buts et nos méthodes dans le scandale de Strasbourg », Internationale situationniste, n° 11, octobre 1967.


[15] Voir aussi Guy Debord, La Société du spectacle, op. cit., § 208 : « Le détournement est le contraire de la citation. »


[16] Imani Kai Johnson, « Battling in the Bronx : Social Choreography and Outlaw Culture Among Early Hip-Hop Streetdancers in New York City », Dance Research Journal, vol. 50, n° 2, 2018, p. 62-75.


[17] Jacques Rancière, La Mésentente, op. cit., p. 53 : De politiek „laat datgene als een toespraak klinken wat voorheen slechts als lawaai werd gehoord”.

Reacties (0)

Voeg nieuwe reactie toe

Wij tolereren geen: racisme, seksisme, transfobie, antisemitisme, ableisme enz.