Van Genua naar Gaza — Vijfentwintig jaar na de staatsmoord op Carlo Giuliani
Toen op 20 juli 2000 de mondiale heersende klasse bijeen kwam achter de Rode Zone in de historische havenstad Genua, liet de Italiaanse staat de wereld heel goed zien hoe ver hij zou gaan om hen te beschermen. Silvio Berlusconi was gastheer voor George W. Bush, Tony Blair en de rest van de G8. Buiten hadden honderdduizenden mensen uit alle hoeken van de wereld zich verzameld die duidelijk wilden maken dat een andere wereld mogelijk is. Onder hen was de drieëntwintigjarige Carlo Giuliani, zoon van een vakbondsactivist, die was opgegroeid in een gezin dat de aloude klassenstrijd omarmde.
30 juli, 2026 8 min leestijd
(Door Michael Leonardi, counterpunch, vertaling Tijn van Beurden/globalinfo.nl)
Wat er die dag en in de nachten die erop volgden gebeurde was geen ‘botsing’. Het was een opzettelijke, gecoördineerde schending van de rechtsorde. Italiaanse en internationale politie veranderden de straten in een oorlogszone. Bewoners zagen hoe jongeren onderweg naar het strand in wolken traangas werden neergeslagen. Oude vrouwen en winkeliers werden gewoonweg aangevallen omdat ze in hun eigen straat liepen. De door een opkomende globaliseringsbeweging in het nauw gedreven mondiale elite, sloeg terug met de felheid van een gewond beest.
In de vele gesprekken die ik door de jaren heen heb gehad met Italianen die daar die week waren, komt altijd hetzelfde thema naar voren. Ze hebben het over een gevoel dat bijna onmogelijk te beschrijven is, tenzij je het zelf hebt meegemaakt: de plotselinge, totale opschorting van de fundamentele rechten van individuen om te protesteren, samen te komen of zelfs door de straten van de eigen stad te lopen. De rechtsorde werd opzijgezet. Politie werd volledig de vrije hand gegeven om zo gewelddadig te zijn als ze wilden, met de openlijke steun van de Italiaanse staat en de verzamelde wereldleiders achter de barrières. Na de Battle of Seattle van twee jaar eerder — de opstand die goed werd gedocumenteerd door Jeffrey St. Clair en Alexander Cockburn in 5 Days That Shook the World — leek het alsof er een les gegeven moest worden aan de internationale beweging: een verpletterende klap uitdelen en angst inboezemen. De boodschap was onmiskenbaar: tot zover, en niet verder.
Carlo was een van degenen die terugvochten. Toen de Carabinieri-jeep zich omsingeld zag op Piazza Alimonda, pakte hij een brandblusser. Er klonk een schot vanuit het voertuig. De kogel trof hem in zijn hoofd. Toen reed de jeep over zijn lichaam heen en weer. Hij werd achtergelaten om te sterven op het trottoir terwijl de leiders van de rijkste landen ter wereld hun lunch voortzetten.
Ik schreef hierover op de tiende verjaardag. De feiten zijn niet veranderd. De foto’s tonen nog steeds het pistool gericht op Carlo’s hoofd. Het officiële verhaal—dat de kogel “afketste”—was altijd een doorzichtige cover-up. Mario Placanica, de carabinière die het schot loste, werd nooit voor de rechter gebracht. Later werd hij gepromoveerd. De rechtbanken beschermden de hiërarchie.
Diezelfde nacht en de volgende voltooide de staat zijn les. De politie bestormde de Armando Diaz-school, waar activisten en onafhankelijke journalisten sliepen. Wat ze daar deden, is door een van hun eigen mensen omschreven als een “Mexicaanse slagerij.” Botten werden gebroken. Gezichten werden verbrijzeld. Bloed bedekte de vloeren. ‘Bewijs’ werd geplaatst. Daarna werden de overlevenden naar de Bolzaneto-kazerne gebracht, waar de echte martelkamer wachtte: mishandelingen, gedwongen fascistische liederen, verkrachtingsdreigingen, mensen die urenlang in hun eigen urine en bloed moesten staan, medisch personeel dat deelnam aan de vernedering. Dit was geen oprisping van geweld. Dit was beleid. Dit was de Italiaanse staat, die handelde namens de mondiale elite en een hele generatie duidelijk maakte wat er gebeurt als je de orde van kapitaal en imperium uitdaagt.
Vijfentwintig jaar later, Genua herdenkt:
Op 19 juli 2026 trok een nationale optocht van tussen de vijf- en tienduizend mensen door dezelfde straten. Ze begonnen in de buurt van de Diaz-school, waar een spandoek hing met de tekst “Maak dit bloed niet schoon – nessuno cancelli questo sangue.” Ze bewogen zich door Via Tolemaide, de plek van de eerste grote politie-aanvallen in 2001, langs het hoofdkantoor van CasaPound—waar activisten van Genova Antifascista een symbolische gipsplaatmuur oprichtten met de verklaring dat het gebied een “zona denazificata” was—en verder naar Piazza De Ferrari. Rook vulde de lucht. De centrale slogan was duidelijk en standvastig: “In ogni caso nessun rimorso” — In ieder geval, geen spijt.
De volgende dag, 20 juli, keerde de menigte terug naar Piazza Alimonda zelf. Georganiseerd door het Comitato Piazza Carlo Giuliani onder het motto “Chi non ha memoria non ha futuro” (Wie geen geheugen heeft, heeft geen toekomst), vulde de bijeenkomst genaamd “Per non dimentiCarlo” – Om Carlo niet te vergeten – het plein met toespraken, muziek en getuigenissen. Er werden bloemen gelegd bij het monument. Er werd een brandblusser op geplaatst — hetzelfde voorwerp dat Carlo in de laatste seconden van zijn leven had vastgehouden. Om 17:27, het exacte tijdstip van de schietpartij, viel het plein stil.
Elena Giuliani, de zus van Carlo, sprak met de helderheid van iemand die deze wond al een kwart eeuw met zich meedraagt. “I temi di allora sono ancora tutti terribilmente, tragicamente presenti oggi,” zei ze— “De thema’s van toen zijn vandaag nog steeds allemaal verschrikkelijk, tragisch aanwezig,” Oorlogen. De genocide in Palestina. Klimaatinstorting. Onderdrukking op straat, in de gevangenissen, in detentiecentra voor migranten, aan de grenzen. Ze wees op een recente George Floyd-achtige dood van een door de politie in Bologna opgesloten Marokkaanse immigrant genaamd Abderrahim Fakir en trok de rechte lijn: “La repressione di allora continua… Quello che noi chiedevamo allora è ancora valido ed estremamente necessario. De repressie van toen gaat door. Wat we toen vroegen, is nog steeds geldig en uiterst noodzakelijk.”
Er is nooit een proces geweest over de dood van haar broer. De zaak werd snel geseponeerd. Ze eiste institutionele verantwoordelijkheid en een einde aan de cultuur van straffeloosheid.
De deelnemers rolden een lang wit laken uit over het plein, waardoor het veranderde in een collectieve lijkwade. Een tekst geïnspireerd door het werk van Paola Caridi over Gaza werd hardop voorgelezen, daarbij werd benadrukt dat geen enkele naam vergeten mocht worden. Activisten van de Freedom Flotilla Italia en de Global Sumud Flotilla stonden tussen hen. Het publiek reageerde met het bestaande lied, vernieuwd voor een nieuwe generatie: “Carlo è vivo e lotta insieme a noi, le nostre idee non moriranno mai” — Carlo leeft en vecht samen met ons; onze ideeën zullen nooit sterven. Op dat moment versmolten de herinneringen aan Genua 2001, zonder spijt of aarzeling, met de strijd tegen de aanhoudende genocide in Palestina.
Dit is het gevoel van degenen die erbij waren en degenen die de fakkel hebben overgenomen. Geen nostalgie. Geen passief rouwen. Een levende, politieke weigering. De mensen die in de optocht liepen en Piazza Alimonda vulden begrijpen dat de opschorting van de rechtsorde in juli 2001 geen uitzondering was. Het was een demonstratie van de permanente bereidheid van de kapitalistische staat om dodelijk geweld en systematische marteling te gebruiken wanneer de bewegingen van de uitgebuite en onderdrukten te sterk worden. Dezelfde logica die Bush, Blair en Berlusconi beschermde, beschermt nu de architecten van de oorlog op Gaza, de privatiseerders, de klimaatvernietigers en de nieuwe fascistische stromingen die in Europa opkomen.
Carlo Giuliani werd gedood omdat hij zich verzette tegen een oneerlijk systeem dat winst en macht boven mensenlevens stelt. Zijn moeder, Haidi Giuliani, heeft hem eenvoudig en krachtig omschreven: “Mio figlio, con la sua canottiera, è una figura fragile che si ribella alla prepotenza” — Mijn zoon, met zijn hemdje, is een kwetsbaar figuurtje dat zich tegen arrogantie verzet. In Palestina heeft datzelfde systeem duizenden en duizenden levens geëist — kinderen, journalisten, medici, studenten, hele families — hun enige misdaad was de weigering om te verdwijnen, erop te staan op hun land te blijven, en weerstand te bieden. De brandblusser op Piazza Alimonda en het puin van Gaza zijn geen aparte verhalen. Het zijn hoofdstukken van hetzelfde boek. De Italiaanse staat die Carlo overreed om de G8 te beschermen, is dezelfde staat die tegenwoordig de wapenleveringen en politieke dekking faciliteert die de slachting mogelijk maakt. De beweging die zich in juli in Genua verzamelde, begreep dit duidelijk: de strijd tegen kapitalistische globalisering en de strijd voor Palestijnse bevrijding zijn één strijd.
De moord op Carlo Giuliani ging nooit alleen over één jonge man en één kogel. Het was het moment waarop het masker viel. De wereldwijde elite, die in luxe bijeenkwam terwijl de planeet brandde en de armen werden verpletterd, gaf de Italiaanse staat toestemming om ons de prijs van verzet te tonen. Ze wilden dat we bang zouden zijn. Ze wilden dat de beweging die van Seattle naar Genua was gegroeid, uit elkaar zou vallen en zou sterven.
Ze stierf niet.
Vijfentwintig jaar later ligt de brandblusser nog steeds op het monument op Piazza Alimonda. De jeep rijdt nog steeds over het lichaam op de foto’s. In Genua maakten ze dit jaar de verbinding expliciet: van Piazza Alimonda tot Gaza, hetzelfde systeem, hetzelfde verzet, dezelfde eis dat een andere wereld mogelijk is.
Carlo leeft omdat de strijd waarvoor hij stierf doorgaat. Palestina leeft omdat zijn mensen weigeren te sterven. Een andere wereld is nog steeds mogelijk. En de staat die hem heeft gedood, en die het doden van zoveel anderen mogelijk maakt, heeft nog steeds bloed aan zijn handen.
Michael Leonardi woont in Italië en is te bereiken via michaeleleonardi@gmail.com
Reacties (0)
Voeg nieuwe reactie toe
Wij tolereren geen: racisme, seksisme, transfobie, antisemitisme, ableisme enz.