Op bezoek in museum Bronbeek
woensdag 29 april 2026
Niet lang geleden was ik in Arnhem, in museum Bronbeek om precies te zijn. Dat was een leerzame en boeiende ervaring, in een heel plezierige context trouwens, en in goed vriendschappelijk gezelschap. Maar laat ik me beperken. Dat museum dus. ‘Koninklijk Tehuis voor Oud-militairen en Museum Bronbeek’, om de complete naam te geven zoals die achterop de folder staat die ik heb meegenomen. Het valt onder het ministerie van Defensie, lees ik daar ook. Doen ze daar ook nog eens wat nuttigs… Al zou ik zo’n museum graag overgeheveld zien in betere handen dan deze soldatenhanden.
Museum Bronbeek bevindt zich in een vroeg negentiende eeuws groot en indrukwekkend landhuis, bijna een paleis, in bijbehorend grote tuin. Zeg maar gerust: park. Het gebouw is sinds 1857 in gebruik als plaats waar gepensioneerde militairen van het Koninklijk Nederlands Indisch leger KNIL hun oude dag konden doorbrengen. En nog steeds wonen er bejaarde ex-militairen. Maar ik was niet op bezoek in een tehuis voor koloniale militairen op leeftijd. Ik was op bezoek in het museum dat in het hoofdgebouw vorm heeft gekregen. Een museum gewijd aan het Nederlands kolonialisme in wat vandaag de dag Indonesië heet.
Ik was hier als klein en iets minder klein kind wel eens geweest, ik herinnerde me vooral een vrij sombere, plechtstatige sfeer, dramatisch uitziende wapens aan de muren, en zwart wit foto’s. Wat ik me nu afvroeg: hoe kritisch, hoe eerlijk ten aanzien van de koloniale overheersing en erfenis, zou presentatie van de museumcollectie zijn? Zou de kritiek op koloniale verhoudingen en tradities doorgewerkt hebben in Bronbeek? Of zou ik er rondkijken met kromme tenen en me zeer lopen te ergeren over het goedpraten, verhullen dan welk bagatelliseren van wat het Nederlands kolonialisme heeft aangericht, aan het verheerlijken van ‘tempo doeloe’, de ‘tijd van vroeger’ – met duidelijk de ondertoon van die goeie ouwe tijd – zoals de laatste decennia van ‘Nederlands Indië’ in ex-koloniale kringen – waar ik een deel van mijn familie-achtergrond heb – liefkozend werden genoemd? Welnu, het viel me alleszins mee!
Bronbeek presenteert een behoorlijk kritisch beeld. Als je weinig weet van het Nederlands optreden in Indonesië – de schaamteloze uitbuiting van de bevolking, het structurele aanhoudende geweld dat het Nederlandse gezag tegen die bevolking uitoefende, het openlijke racisme, de vrijheidsstrijd die gaandeweg op gang kwam, en uiteindelijk het ontluisterende einde van het Nederlandse koloniale gezag, verdreven via een antikoloniale oorlog, een koloniaal gezag dat zich slechts knarsetandend bij haar aftocht wist neer te leggen en waarvan de nederlaag nog steeds niet goed is erkend en verwerkt – … als je hier niet erg in thuis bent, dan leer je door aandachtig rondkijken in Bronbeek een heleboel, zowel feiten als eerlijk gepresenteerde context. Maar ook als je je er meer in hebt verdiept, zoals ondergetekende, dan is dit minstens een goede opfriscursus, maar ook wel meer dan dat. Je schrikt toch weer hóé grof het Nederlandse kolonialisme structureel huishield, eeuwenlang.
De collectie is goeddeels chronologisch gepresenteerd in zes zalen, van de vestiging van het kolonialisme in zaal één tot en met de verwerking van de geschiedenis in zaal zes. Los daar van zijn er nog twee zalen met wisselende tentoonstellingen, plus een ruimte aan achterkant van het gebouw waar een reeks stokoude kanonnen is uitgestald, waarover zo meteen nog iets meer. De presentatie in zaal één maakt goed duidelijk uit welke kritische hoek de wind waait. Tekstpaneel aan de ingang met toelichting. ‘Kolonialisme is de overheersing van een gebied en zijn bevolking door een buitenlandse staat. De vreemde bezetter verovert en controleert het gebied en de inwoners met (de dreiging van) geweld om zelf welvaart, macht en prestige te verkrijgen’, zo lees ik in de folder die ik mee naar huis nam, en soortgelijke, zo niet identieke woorden las ik op dat tekstpaneel. Harde en duidelijke taal, geen flauwekul over de beschavende missie van de Nederlanders.
Ik ga niet alle zes de zalen verbaal langslopen, ik stip gewoon wat zaken aan. Het feit dat de Nederlandse bevolking een half procent van de totale bevolking uitmaakte, bijvoorbeeld. Het feit dat er in de koloniale tijd dat het KNIL bestond, er gemiddeld drie keer per jaar een gewapend optreden ergens in Nederlands Indië plaats vond, dat het dus eigenlijk permanent oorlog was. Het feit dat er openlijke segregatie was, compleet met bordjes ‘alleen voor inlanders’. Het feit dat lijfstraffen pas in 1930 zijn afgeschaft. De tentoongestelde spullen omvatten intussen zowel statige portretten van koloniale gezagsdragers, als uniformen van bijvoorbeeld soldaten en politiemensen, maar ook installaties waarmee of waaraan arbeidskrachten hun arbeid te verrichten hadden. Maar vooral de toelichtingen waren onthullend leerzaam.
Zaal vijf en zes omvatten de koloniale oorlog tussen 1945 en 1950 waarmee Indonesië uiteindelijk haat onafhankelijkheid verwierf – ten koste van 120.000 doden aan Indonesische kant, zoals te lezen was. Indrukwekkend vond ik de filmbeelden die geluidloos op de muren achter de tentoongestelde attributen en toelichtingspanelen werden afgespeeld, in ene vrij lange loop. Je kreeg daaruit ene beeld hoe het er toeging, en voor mij riep dat heel sterk een associatie bij me op: Vietnam, de oorlog daar, maar al te bekend van speelfilms maar ook van journaalbeelden uit de jaren toen ik voor het eerst journaal keek. Brandende dorpen op de achtergrond. Patrouillerende soldaten, verzetsstrijders die zich klaar hielden. Een grote groep Indonesische jongemannen, ontbloot bovenlijf, bewaakt door gewapende soldaten, kennelijk gevangengenomen. Alles in stilte, en niet beeld voor beeld toegelicht. Maar in alle zwijgzaamheid juist heel indringend. Zo zag dat er dus uit, zo’n politionele actie zoals de twee pogingen om de Indonesische vrijheidsstrijd neer te slaan, officieel werden aangeduid: als een complete koloniale oorlog, wat natuurlijk precies was wat het ook was.
Zaal zes betrof dan de verwerking van de koloniale geschiedenis, de erfenis. Dat was hier en daar onthutsend. Zo wist ik niet dat KNIL-militairen die van 1942 tot 1945 in Japanse krijgsgevangenschap zaten, niet vanzelf door Nederland achteraf hun soldij kregen doorbetaald voor die periode – ene periode waarin ze natuurlijk nog altijd in Nederlandse dienst waren. Voor die uitbetaling i moest dus campagne gevoerd worden. Hoe dat is afgelopen, of ze uiteindelijk hun soldij hebben gekregen, kon ik er niet uit wijs worden. Het hele gebeuren tekent de botte ondankbaarheid waar koloniale mogendheid Nederland haar loyaalste dienaren bejegende. Een soortgelijk, gelukkig bekender, verhaal betreft de Zuid-Molukse KNIL-militairen die in 1950 onder valse voorwendselen naar Nederland zijn verscheept en onderweg te horen kregen dat ze uit dienst waren ontslagen, zodat Nederland er geen verplichtingen meer aan meende over te houden. Ja, al deze KNIL-militairen vochteen tegen een rechtmatige vrijheidsstrijd. Maar dat maakt de behandeling die de Nederlandse staat haar koloniale dienaren deed toekomen, zeker niet minder schandalig.
Een beetje onthutsend was ook nog de video-presentatie met de diverse keren dat Nederlandse hoogwaardigheidsbekleders zich in ene officiële toespraak uitlieten over de Nederlandse verantwoordelijkheid voor het leed dat Nederland gewapenderhand had aangericht in Indonesië 1945-1950. Dat werd betreurd, het was allemaal erg naar en spijtig, maar een echt excuus bleef heel lang uit. Echt tenenkrommend was premier Wim Kok in het jaar 2000. Die betreurde wel de ‘excessen’ – dat favoriete woord in dit verband, waarmee aan het oog onttrokken werd hoe standaard, hoe gangbaar het koloniale geweld eigenlijk was. Maar ja, hij wilde toch vooral ook rekening houden met de gevoelens van al die mensen die te goeder trouw destijds hadden gediend – aan Nederlandse zijde, maar dat zei hij niet met zoveel woorden. Om gevoelens van koloniale dienaren en hun nazaten te ontzien ga je koloniaal geweld niet al te duidelijk en hard veroordelen, daar kwam het op neer. Mij deed het denken aan vandaag de dag, als het over genocide in Gaza gaat. Je mag Israël wel een beetje bekritiseren maar niet frontaal en volledig veroordelen want ja, de gevoelens van mensen in de Joodse gemeenschap die zich zo met Israël verbonden voelen en voor wie een aanval op Israël voelt als een aanval op hun Joodse identiteit, daar moeten we toch b vooral niet aan voorbijgaan. Zo’n soort redenering proefde ik bij de woorden van Kok. Natuurlijk, een iets andere zaak en een iets andere context…
Al met al: een goede, heldere en harde presentatie van heel; veel wat er over het Nederlandse kolonialisme te weten valt. En de tentoonstellingen wreven de antikoloniale boodschap er niet overdreven nadrukkelijk in, waardoor het des te effectiever binnenkwam. De feiten, eerlijk en helder gepresenteerd, veroordelen het kolonialisme veelal beter dan de scherpste veroordelende begeleidende teksten hadden kunnen doen.
Heb ik dan niets aan te merken? Jawel. Ik miste enkele zaken, wat natuurlijk onvermijdelijk is. Over de eerste twee eeuwen kolonialisme werd wel heel snel heen gefietst, het verhaal begon eigenlijk in de vroege negentiende eeuw. Dat zal komen omdat toen het KNIL – waarvan bronbeek dus het bejaardenhuis werd – werd opgericht. Maar iets meer aandacht voor de eeuwen van de Verenigde Oost-Indische Compagnie VOC, haar daden en misdaden, was zeker niet misplaatst geweest. Wel een schilderij van banda ophangen maar vrijwel niets zeggen over de genocide die onder leiding van J.P. Coen daar in 1621 is aangericht, is toch een beetje dun.
Een tweede gemis brengt me op de al genoemde kanonnen. Die bevonden zich in een smalle zaal aan de achterkant van het gebouw. Het ware oude dingen – en ze waren niet van het KNIL, althans niet voordat ze door Nederland in beslag waren genomen, kennelijk als oorlogsbuit Het waren kanonnen van Atjeh, op de noordpunt van Sumatra, op de Atjehers veroverd in 1873 en 1874, in de Atjeh-oorlog dus. Die Atjeh-oorlog duurde tot diep in de twintigste eeuw, en vormde als het ware de zeer gewelddadige afronding van het koloniale rijk. De militaire glorie van het KNIL is daar opgebouwd – door middel van operaties die in het begin van de twintigste eeuw regelrecht genocidaal van karakter werden. Daar mag in Bronbeek best veel uitgebreider aandacht voor zijn dan een paar antieke kanonnen als oorlogsbuit en een enkele opmerking hier en daar.
Een derde gemis, bij de doorwerking van het kolonialisme na de Nederlandse aftocht uit Indonesië betreft ten slotte de gang van zaken rond de al genoemde Zuid-Molukse ex-KNIL-soldaten: hoe zij werden afgevoerd naar Nederland, in barakken in voormalige concentratiekampen Vught en Westerbork werden gepropt, hoe hun grieven werden genegeerd door een overheid die het vergeten tot staatsbeleid verhief, en hoe mensen uit die bevolkingsgroep in de jaren 1970 hardhandig via militante verzetsdaden – de kapingen van treinen, een ambassade en een school – alsnog de aandacht op wist te eisen. Dat er een boel rechtmatigs in de woede zat waar die daden uit voortkwamen, valt niet te ontkennen, wat je verder ook van de gekozen actievorm vindt. Dit alles had aandacht in een aan KNIL en kolonialisme gewijd museum zeker niet misplaatst gemaakt.
Alles bij elkaar vond ik de collectie in Bronbeek, en vooral de wijze waarop die gepresenteerd is, sterk en overtuigend, eerlijk en goed kritisch. Maar ik wil toch ook wat kwijt over de omgeving van het Bronbeek-gebouw, die op zichzelf prachtige tuin. Daar is de uitstraling nog traditioneel, met een fiere Nederlandse vlag en zo, met plaquettes over omgekomen KNIL-militairen – en met standbeelden. Daaronder zag ik zowaar Van Heutz, gouverneur-generaal in de tijd waarin Atjeh zeer hardhandig onder koloniaal – en dus onder zijn – gezag werd gebracht. Een koloniale oorlogsmisdadiger, derhalve, die geen verering verdient. Geen inhoudelijke, kritische toelichting bij het standbeeld. Het staat daar gewoon te pronken.
Dat kan natuurlijk niet zo. Weliswaar roepen we van dit type standbeelden dat ze naar een museum moeten, en deze Van Heutz staat in een museumtuin. Maar de tuin is vrij toegankelijk,. En het beeld staat niet ver van de grote weg die er langs loopt – en iedere kritische duiding ontbreekt. Zo is de weinige aandacht voor het Atjeh-drama ook nog eens gecombineerd met een kritiekloos omgaan met één van de hoofdverantwoordelijken. Bij een museum dat laat ziend at het in staat binnenshuis een eerlijke presentatie van het kolonialisme te geven, hoort toch ook de verantwoordelijkheid om die eerlijkheid, die kritische weergave, tot de museumtuin uit te breiden. Maar misschien kunnen antikoloniale actievoerders daar eens een handje bij helpen.
Peter Storm
Reacties (0)
Voeg nieuwe reactie toe
Wij tolereren geen: racisme, seksisme, transfobie, antisemitisme, ableisme enz.