Kairos En Het Anarchisme
Het onderstaande is de volledige tekst van een voordracht die Andre de Raaij zou houden op een conferentie van het Anarchist Studies Network in Loughborough, 2014 – onder de vlag van ASIRA, Academics and Students Interested in Religious Anarchism. Het gedeelte over Berdjajew heeft los in De AS gestaan, maar het maakte deel uit van het geheel. Dat ademt nog de geest van 2014. Optimisme is in een tijd van imperialistisch oorlogsgeweld tegen Oekraïne, Venezuela en Iran (en wat nog?) moeilijker te koesteren en in feite juist meer nodig. De klok dicteerde dat André grote gedeelten van de voordracht niet kon voordragen op de conferentie. Hieronder zoals gezegd het geheel. [ThH]
Tegen de tirannie van de klok
Het is waarschijnlijk makkelijk om een zogenaamde materialistische verklaring te geven voor wereldwijde revolutie. Het kapitalisme ondergaat niet crises die het te boven komt en dan weer ondergaat, het kapitalisme is zelf ononderbroken crisis. Er zal altijd wel ruimte zijn om een materiële oorzaak aan te wijzen voor opstanden over de gehele wereld, ook al passen ze niet bij elkaar. Italië en Griekenland als startpunt omstreeks 2009/2010, voor de mondiale opstand in Tunis, Caïro, Spanje, de Occupy-acties van New York via Londen tot Hong Kong. Dit alles kan als gevolg van de economische instorting van dezer dagen gezien worden – de stijgende prijs van pasta in Italië bijvoorbeeld. Een dergelijke grove redenering verklaart niet waarom eerdere prijsstijgingen of economische neergang niet tot revolutionaire onrust hebben geleid. Ongetwijfeld stonden ‘objectieve omstandigheden’ in de weg, wat zoveel wil zeggen als: ‘we weten het niet’.
Waarom kwamen miljoenen mensen de straat op voor hun waardigheid in Spanje, 2011, en dezer dagen in Puerto Rico? Waardigheid eis je uiteraard niet op van anderen, je toont haar reeds. Dit collectief doen is een verrassend aspect van deze eis die niet echt een eis genoemd kan worden.
Een van de allermooiste uitingen van de opstanden van 2010-2011 was het Book bloc, voorzover ik overzie begonnen door de Italiaanse studentenbeweging van die dagen. Het Book bloc richtte mijn aandacht op twee boeken die ik niet kende: Caliban and the witch van Silvia Federici (misschien vindt u het schandalig dat ik het niet kende maar ik ben er tenminste eerlijk over) [zie over Federici en haar boek, Online; thh.], en Pip pip, een intrigerende titel die van een op dat ogenblik onbekende auteur genaamd Jay Griffiths (zie Online). Pip pip bleek een boek over de manieren waarop we naar tijd kijken. Klaarblijkelijk is het subversief om boeken te lezen, vooral als zij het bourgeois concept van tijd ter discussie stellen.
Voordat ik Griffiths las was het mij al opgevallen dat Karl Marx in zijn theorie van de arbeidswaarde schrijft over tijd alsof het een onafhankelijke kwantiteit is, die boven de klassenmaatschappij en haar heersers staat. Misschien is dit een gevolg van het materialistische geloof waarin de Wetenschap wordt gezien als voortbrengsel van de Vooruitgang, waarbij het kapitalisme als een onontkoombaar hogere ontwikkelingsvorm dan de voorgaande wordt gezien. Dit leidt even onontkoombaar naar het Socialisme en tenslotte het Communisme als het hoogste stadium van menselijke ontwikkeling (dit was althans wat mensen graag verkondigden met een beroep op Marx, later).
Herbert Marcuse vertelt in zijn bijdrage in de bundel The dialectics of liberation (samengesteld door David Cooper, 1968) dat de Communards op de klokken schoten, zij wilden de tijd terugveroveren die de heersende klasse van hen gestolen had. Zij geloofden niet in de klasseloze tijd van het historisch materialisme. Van de Israëlische kritisch-theoreticus Ilan Gur Ze’ev vernam ik dat Marcuse in zijn latere dagen dacht dat de verovering van de tijd tot een overwinning op de dood zou kunnen leiden – in een fysieke zin. Helaas is Ilan gestorven voordat hij mij hierover meer kon vertellen.
Weer een andere kritisch-theoreticus, Ernst Bloch, was zich zeker bewust van de klassegeladenheid van ‘tijd’, bepaald als zij wordt door de hoogste waarde van het kapitaal, ruilwaarde. George Woodcock schrijft in zijn belangrijke korte stuk The tyranny of the clock (zie Online):
De klok heeft het middel geleverd waardoor de tijd – een categorie die zo ongrijpbaar is dat geen filosofie tot nu toe haar aard heeft bepaald – concreet gemeten kon worden in tastbaardere vormen van ruimte die geleverd worden door de wijzers van een klok. De tijd als duur werd niet meer in acht genomen, en mensen begonnen te praten over ‘lengten’ van tijd, net alsof ze aan het praten waren over lengten van calico. En de tijd, nu meetbaar in rekenkundige symbolen, kon beschouwd worden als een waar die net als iedere andere waar gekocht en verkocht kon worden.
De kloktijd is haar eigen circulaire definitie: zij kan alleen beschreven worden in termen van meetbaarheid door middel van een klok.
Griffiths bekijkt de verschillende manieren waarop men duur kan benaderen, de onbekende kwantiteit of kwaliteit ‘tijd’. Er is echter nog een heel andere manier waarop men naar tijd kan kijken. In de brieven van de apostel Paulus en op verscheidene plaatsen in de evangeliën wordt tijd aangeduid met het woord kairos, verschillend van het gangbare Griekse woord chronos. In de dagen van de oudste christelijke geschriften konden kairos en chronos als verwisselbaar gebruikt worden, doordat de eeuwigheid had ingebroken in de wereld door het leven en de opstanding van Jezus. De tweede komst werd spoedig verwacht, en dus was kairos de tussentijd tot de voleinding van de tijd plaats zou vinden. Kairos was nu, ho nun kairos zoals Paulus het formuleert. De gedachte kan opgerekt worden maar de Kerk heeft leren leven met de gedachte dat er veel meer chronos nodig is om de kairos te volbrengen. Dus wordt kairos nu gezien als de tussenkomst van de eeuwigheid, of de Geest, to pneuma, in de wereld.
Paul Tillich beklemtoont dat tijd als kairos beoordelen betekent haar interpreteren als een punt van onontkoombare beslissing, onvermijdelijke gerechtigheid, gezien van het standpunt der profeten. De gedachte van kairos wordt geboren in wisselwerking met de utopie, maar het bewustzijn moet leven dat het Eeuwige aanwezig kan zijn in de tijd, het Eeuwige kan zich manifesteren door ‘in te breken’ maar het kan nooit vastgelegd worden op een moment. De geest van de bourgeoismaatschappij is demonisch, hij dwingt mensen tot oneindige dienstverlening aan het eindige, in een strijd van allen tegen allen. Blijkbaar is de te koesteren kairos het idee van het religieus socialisme, dat destijds ook naar voren werd gebracht door Karl Barth, die het socialisme gelijkstelde aan het Koninkrijk Gods. Tillich geeft zijn beschrijving van kairos in 1926.
De techniek als breuk met de Grote Moeder
De burgemeester van De Bilt hield ter gelegenheid van Dodenherdenking 2011 een toespraak waaruit ik vanwege de Nederlandse context het een en ander citeer:
“Onze vrijheid is geboren uit de nood en de ellende van wie we vanavond herdenken. Onze vrijheid is hun vrijheid, zou je kunnen zeggen. En door alle tijden heen bevat onze herinnering aan hen een opdracht voor het leven van alledag. En daarin komen we nogal wat tegen. Zinloze discussies over hoofddoekjes, mensen die zich cabaretier noemen, maar eigenlijk hun brood verdienen met het beledigen van andere mensen, politieke leiders die geen rust brengen, maar juist onrust wekken, mensen die ’s avonds uit angst niet meer over straat durven, een overheid die klakkeloos allerlei informatie over ons doen en laten mag verzamelen, jongeren die we aan hun lot overlaten en de wereld op eigen houtje laten ontdekken, schoppen tegen het geweten van een ander. Een Russische filosoof zei: ‘Vrijheid is geen recht, maar een plicht’ en ik denk dat hij daarmee de spijker op de kop sloeg. Vrijheid verplicht tot delen, tot het waarderen van wat anders is, tot het verdragen van wie anders is. Vrijheid verplicht tot inzet, zelfs tot strijd.”
De bewoners van het politieke riool die dezer dagen aanspraak maken op hun plaatsje op de voorpagina’s van kranten die steeds minder publiek trekken wisten wel raad met deze toespraak. Zodanig dat de VVD-burgemeester ter gelegenheid van de vrijwel gebruikelijke jaarwisselingsrellen aandrong op intrekken van uitkering en ziektekostenverzekering van de relmakers (hij wist natuurlijk zeker dat de jongelui een uitkering hadden). Zo kennen we de ‘liberalen’ weer. Tenslotte is het liberalisme als verzameling ideeën verleden tijd – de ‘Russische filosoof’ op wie burgemeester Gerritsen zich beriep was de mystieke anarchist Nikolaj Berdjajew, niet direct iemand van wie men verwacht dat hij door een VVD-er geciteerd wordt. Toch is het een mooi citaat – wij zijn verplicht tot vrijheid, het is geen vrijblijvend streven dat ook nagelaten kan worden.
Een korte schets van het leven van de filosoof Berdjajew: hij was afkomstig uit de hoogste stand, geboren in 1874. Zoals veel intellectuelen in Rusland in die tijd werd hij als student aangetrokken tot het marxisme, hij nam hier echter al tamelijk snel afstand van en beklemtoonde het primaat van de geest. ‘Van marxist tot idealist’ is de korte omschrijving, waarbij Nietzsche meer een rol speelt dan Tolstoj. Vervolgd onder de tsaar is hij even lid geweest van de Nationale Sowjet in 1917 en kon hij vervolgens zijn eigen filosofische school inrichten, tot 1922. In dat jaar wordt hij verbannen en vestigt hij zich in Berlijn, in 1924 verhuist hij naar zijn definitieve woonplaats Parijs. Hij richt in beide steden een eigen filosofische school op. Een opmerkelijk biografisch gegeven: direct na het voltooien van Het Rijk van Caesar en het Rijk van de Geest in 1948 overlijdt hij, zittend aan zijn werktafel. Dit boek mag als samenvatting van zijn opvattingen beschouwd worden. De Geest is het mysterie van het Christendom – niet het sleurchristendom waarmee degene die dit leest het waarschijnlijk zal vereenzelvigen (het requisitoir is meteen bekend), het Christendom gaat de christen ver te boven. Zijn weerlegging van de denkbare en gangbare bezwaren is tot stand gekomen in wisselwerking met anarchisten die de gebruikelijke riedels tegen het christendom verkochten. Onder invloed van de Franse personalistische denkers (of is er een wisselwerking?) ontwikkelt Berdjajew zich tot personalist.
Berdjajews intellectuele geschiedenis herinnert aan die van Jacques Ellul: van marxist tot religieus-anarchist, ook de kritiek van de machinalisering hebben zij gemeen. Een belangrijk verschil is de beklemtoning van de mystiek, waarvan Ellul geheel wars was en die bij Berdjajew vooropstaat. Dit heeft ook consequenties voor de opvatting van de apocalyptische omwenteling, de Revolutie, die bij Ellul nog aards gezien wordt (zij het met ingrijpen van ‘bovenaf’) maar die bij Berdjajew de vorm krijgt van een totale vergeestelijking van de wereld. Een interpretatie van het scheppingsverhaal die eender en anders is: Ellul schrijft dat wij in de zevende dag leven, de rustdag van God, Berdjajew houdt het erop dat wij op weg zijn naar de achtste dag, als de schepping voltooid wordt in absolute Geest.
Wij kunnen onze hoop niet vestigen op een klasse of een historische (wereldlijke) macht doch alleen op de in de geest wedergeboren persoonlijkheid. De opstanding van de mens is een kosmische gebeurtenis: ‘De wedergeboorte van de mens zal de vergeestelijking van de gehele natuur teweegbrengen’. Het eindresultaat is staatloos en er kan natuurlijk geen staat aan te pas komen. Berdjajew wordt algemeen als religieus- of christen-anarchist aangeduid, hij vond dit zelf evenwel een aanvechtbare aanduiding – zijn politiek lijkt wel ‘niet van deze wereld’. De vestiging van het Rijk van de Geest is de overwinning van het rijk van Caesar in een eschatologische transformatie, een eindelijke eenwording.
“Al noemde Berdjajew zich tegenover decadenten en mystieke anarchisten ook een enkele maal de eerste ware ‘mystieke anarchist’, toch predikte hij van de aanvang af geen leeg anarchisme of sociaal amorfisme. Vrijwel steeds neemt hij de omgevende wereld en de sociale en politieke gegevenheden in acht, waaruit het menselijke handelen zich eerst op zijn absolute doeleinden kan richten.” De staat is een moordmachine, tot een almachtige totalitaire demon gemaakt door de techniek. God geeft geen instemming met welke regering dan ook, verdraagt of aanvaardt deze ten hoogste. God werkt wel mee aan de strijd van de vrije menselijke geest tegen de orde van deze wereld. Christus kan gezien worden als symbool van de overwinning op de werkelijkheid.
Het lijkt duidelijk dat Berdjajew de positieve inhoud van het woord anarchie waarmee het streven van anarchisten maar niet van hen alleen wordt aangeduid, ontgaan is. Of hij beperkt het tot de door hemzelf geschetste apocalyptische totstandkoming van het Rijk van de Geest. Zijn mystiek anarchisme heeft Peter Maurin, de denker achter de Catholic Worker, geïnspireerd, verder is hij tamelijk vergeten. Na de ineenstorting van bolsjewistisch Rusland zijn de meeste van zijn boeken daar alsnog in de oorspronkelijke taal uitgegeven, de werking hiervan is moeilijk te peilen. Dat een VVD-burgemeester in het Nederland van dezer dagen een soundbite van Berdjajew bezigt wil nog niet zeggen dat zijn gedachten wakker zijn gemaakt. Zijn oppositie tegen het bolsjewisme kwam uiteraard goed uit in de dagen voor en tijdens de Koude Oorlog. Deze oppositie bestond zeker niet uit het afwijzen van het gemeenschappelijk bezit van de productiemiddelen, hij wees de almachtige staat af. Met de staat wijst hij evenzeer ‘het anarchisme’ af als behorend bij de staat, een mechanisch en pseudo-christelijk denken. De anarchie van Berdjajew is er kortom een die ook ver af lijkt te staan van het streven van de andere religieus-anarchisten, al dient gezegd te worden dat ieder ‘doel’ voor het anarchisme in het streven ligt en dus absoluut is – losgemaakt van de dagelijksheid. De revolutie is bij Berdjajew kairos – een inbreken van de eeuwigheid in het tijdelijke, zoniet een overwinning op het tijdelijke.
Ook de techniek, de machine, vertegenwoordigt een breuk met de tijd voor de mens, doordat zij een nieuwe realiteit schept, een voortdurende actualiteit. De techniek leidt tot de breuk met de Grote Moeder, die de aarde voor de mens is – zij kan genegeerd zoniet gedood worden. De snelheid die de machine genereert is de schepping van een reeks opeenvolgende momenten die het zicht op de eeuwigheid onmogelijk maken, zij verdwijnen en de beheersing van de tijd betekent slavernij. (Hier lijkt Berdjajew vooruit te lopen op een contemporaine christen en anarchist, Paul Virilio). Evenwel lijkt het einde voortdurend nabij, de tijd is voortdurend in aanraking met de eeuwigheid. In het tot religie geworden materialisme van wat hij “het communisme” noemt wordt de waarheid bepaald door het vijfjarenplan. Het communisme is door de geheimzinnige voorzienigheid Gods als rechtvaardige vorming van de menselijke samenleving aangewezen en verraden en geschonden.
Het hiertegenover te stellen personalisme wordt vereenzelvigd met het Christendom. Dit kent geen abstracte idee doch slechts God en de naaste, concrete wezens (!). De persoonlijkheid is niet deel van de wereld, het is omgekeerd – de persoonlijkheid getuigt van vrijheid en geest. De broederlijkheid in het lijden en het ongeluk betekent de overwinning van de onpersoonlijke, anonieme macht van het geld in het menselijk leven, dat de mens tot een leven in een rijk van ficties veroordeelt. Het personalisme wijst de weg terug naar ware realiteiten. Recht en gerechtigheid zijn er hoe dan ook, onafhankelijk van de mogelijke triomf in de wereld. Zij blijven recht en gerechtigheid, ook als zij gekruisigd worden.
Desperaat verzet of lijdzame ondergang
Jacques Ellul citeert naar mijn weten nergens Berdjajew, maar zijn prise de conscience, de bewustwording, moet van een buitenhistorische bron komen, de macht die alle macht ontkent, God. De gedachte van de prise de conscience als voorwaarde voor de revolutie – beide moeten deel zijn van de kairos – was populair in radicaal wordende kringen in de jaren zestig en zeventig, vooral bij mensen met een christelijke kerkelijke achtergrond. Het lijkt erop dat het idee is weggespoeld als zoveel uit die kairosdagen, vaak samengevat in dat ene jaar ‘1968’ maar de periode was stukken langer. Een belangrijk punt was bijvoorbeeld het verschijnen van One dimensional man van Herbert Marcuse. Het boek is vaak overschat genoemd maar dit kan nu in terugblik niet meer zo gezien worden. Zijn idee van de Grote Weigering – het overwinnen van surplus repressie en angst – benadert dat van de kairos, de verwerkelijking van bijzondere tijd. Michael Löwy schrijft een mystieke ader toe aan (tenminste een groot deel van) de Frankfurter Schule, en Marcuse’s idee van mogelijke onsterfelijkheid zou kunnen neerkomen wat in christelijke kring apocalyptisch wordt genoemd. Hij heeft zich echter niet gewaagd aan speculaties over de Grote Weigering.
De intentieverklaring van Provo in het eerste nummer van het blad met die naam, 12 juli 1965:
PROVO voelt zich voor de keus gesteld: Desperaat verzet of lijdzame ondergang.
PROVO roept op tot verzet waar het kan.
PROVO ziet in dat het de uiteindelijke verliezer zal zijn, maar de kans deze maatschappij althans nog eenmaal hartgrondig te provoceren wil het zich niet laten ontgaan.
Wie het twintigste-eeuwse anarchisme bestudeert kan weten dat Nederland in de jaren zestig vooropliep in de jongerenrevolutie, voor Berkeley of Parijs. Dit kan een paradoxale reden tot trots zijn, zoals er nu de schaamte is over de (proto)fascisten die het openbare ‘debat’ beheersen.
Dezer dagen is er die ene actief-kritisch-theoreticus, Willem Schinkel. Hij ziet de huidige crisis, die zowel economisch als ecologisch is, als een kairos, een gelegenheid om visies bij het publiek te vormen, niet andersom. Hij pleit voor bewustwording, de prise de conscience van Ellul, een Grote Solidarisering in plaats van de Grote Desolidarisering die het huidige zogenaamde neoliberale denken met zich meebrengt.
Kairos zou het scheppen van een nieuwe democratische sfeer moeten zijn, een nieuw paradigma in de politiek – een paradigma dat Schinkel ziet in de Partij voor de Dieren. Nu ik deze regels opschrijf dringt tot mij door dat deze net zo’n unieke voortrekkersrol vervult als Provo.*) Waarom de hoop niet koesteren? Inmiddels zijn er partijen voor de dieren met volksvertegenwoordigers in Portugal en Duitsland, zij vertegenwoordigen de onvertegenwoordigbaren. Een bezoeking wellicht voor anarchisten, maar het vertegenwoordigen van de stemloze andere schepsels, nooit zonder eigenbelang, want de aarde staat op het spel, is toch iets anders. Misschien is het kairos.
Karl Jaspers schreef in 1957 in Die Atombombe: In dit leven, zoals de aantoonbaar onzinnige zin moet luiden, is wat eeuwig is bepaald door de tijd. De bepaling vanuit de kracht van de liefde en het gebod van het geweten is de verschijning van wat al eeuwig is. De aanwezigheid van het Eeuwige is onsterfelijkheid. Ik verwerf onsterfelijkheid voor zover ik liefheb en goed ben. Ik eindig in het Niets als ik een liefdeloos verward leven leid. Door lief te hebben zie ik de onsterfelijkheid van hen die verbonden zijn door liefde. Er schuilt meer rationaliteit in de gedachte van eeuwige straf in de hel dan in te denken dat ik alles maar ongestraft kan doen omdat er na de dood niets zal zijn (Kierkegaard). Onsterfelijkheid kan alleen betekenis hebben in de rust van het Zijn en het Bovenzijn, dat in de tijd door de tijd heen ziet en deze verslaat. Want wat er toe doet is de realiteit van het Eeuwige, de manier waarop geleefd en gehandeld wordt, als het alomvattende, het onsterfelijke.
Kairos zoals Jaspers het bedoelt is een chiffre, een gedachte gebeurtenis die mensen het onbegrijpelijke kan doorgeven. Ik had in het begin kunnen zeggen wat ik nu tot slot zeg, op gezag van Jan Romein van wie ik het citaat van Niels Bohr ken – het geldt bijvoorbeeld voor veel van wat Berdjajew in het bijzonder zegt: het heeft geen zin te schrijven over wat je volledig begrijpt.
André de Raaij
*) Schinkel is sindsdien overgestapt naar het uitzichtloze BIJ1. Mijn eigen enthousiasme over de Partij voor de Dieren is helaas enigszins afgekoeld inmiddels. Tijd is onverbiddelijk… (noot van 2026)
Reacties (0)
Voeg nieuwe reactie toe
Wij tolereren geen: racisme, seksisme, transfobie, antisemitisme, ableisme enz.