Commons Aan Het Werk – De Coöperatie-vorm Wakker Geschud
Het Engelse woord ‘commons’ verwijst naar gemeenschappelijke goederen zowel afkomstig van culturele als natuurlijke hulpbronnen. Die goederen zijn toegankelijk voor alle leden van een gemeenschap. Zij vormen gemeenschappelijk bezit. In het Frans is er sprake van ‘commun’, dat net als zijn Engelse variant ook ‘gemeenschappelijk’ betekent. Ik wijs daarop omdat in het boek dat ik aan de orde zal stellen alleen gesproken wordt over ‘commun’ en ‘communs’ (naast soms ook ‘commune’).
Het gaat om de Franse socioloog Pascal Nicolas-Le Strat, docent onderwijswetenschappen aan een van de Parijse universiteiten. De titel van zijn boek luidt Le traveil du commun (2016 / 2026). Op de achterflap wordt de belofte gedaan, dat het talloze pogingen bespreekt om commons te creëren in de sociale, culturele en stedelijke sfeer. Ondanks deze belofte ben ik dit niet systematisch tegengekomen. Terwijl er inderdaad zoveel gecreëerd is, weet ik uit publicaties van anderen. De omvang daarvan is zodanig dat er zeker lessen te leren zijn. Dat er veel te melden valt, zal ik in mijn bespreking van het boek duidelijk maken. [ThH]
Anarchistische grondslag
De auteur heeft naar mijn indruk een vooringenomen houding aangenomen zonder die uit te spreken. In de kern behandelt hij namelijk een onderwerp met een anarchistische grondslag. Dat spreekt uit zijn eerste aanzetten over ‘commons’. Hij geeft weer dat het gemeenschappelijk werk zich in de kern, in twee verschijnselen realiseert. Aan de ene kant het verschijnsel van een gemeenschappelijke democratie. Dat veronderstelt een levende publieke ruimte om het debat mogelijk te maken over kwesties aangaande het collectieve leven tussen betrokken mensen (te denken is het beheer van watervoorzieningen, de luchtkwaliteit, de gezondheidsproblematiek, de urbanisatie, de culturele rechten…). (p. 10)
Aan de andere kant zien we het verschijnsel van een ‘democratie van commons’ (diensten en gemeenschappelijke goederen). De inzet daarvan is het vermogen aan te spreken, in vele daarvoor opgerichte publieke ruimtes, producten die zich autonoom binnen de samenleving ontwikkelen, om die gezamenlijk te evalueren en hun waarde te bespreken in termen van hun nut voor de gemeenschap (onderwijs, milieu, cultuur, gezondheid…). (p. 11)
Het gemeenschappelijke dient zichzelf aan in zijn activiteit. Het vestigt zich vanaf de basis. Het gemeenschappelijke vertaalt zich in een nieuw emancipatie-ideaal. (p. 13)
Wat daarna vele tientallen pagina’s lang volgt, lijkt het voorgaande te moeten verhelderen en aannemelijk maken. Maar voor mij wordt het een onverteerbare brei. Maar heel opmerkelijk, gelet op wat hij aan de anarchistische antropoloog David Graeber (1961-2020) ontleent, blijkt niet zo’n brei op te leveren. Hij maakt namelijk duidelijk goed begrepen te hebben waarom het draait. Hij demonstreert dat op diverse plaatsen, zoals waar de ‘oppositionele bewegingen’ in beeld komen, vooral de Occupy-beweging. David Graeber is daarvan een van aanstichters geweest. Nicolas-Le Strat schrijft dan: ‘Alle besprekingen van het opzetten van Occupy-kampementen vertellen over het vermogen van mensen om een democratisch bestuur te formeren voor de essentiële gemeenschappelijke dingen die nodig zijn om een collectief draaiend te houden (de zorg voor maaltijden, hygiëne, communicatie, het debat, informatievoorziening…). ‘Occupaties’ leveren een perfect synoniem voor ‘oppositionele commons’. ( p.67)
De oppositionele beweging verzet zich tegen dominante instituties zoals de staat. Het is hun wil tot autonomie. Wie voor theoretische overwegingen enkele eeuwen terug in de tijd wil gaan, kan daarvoor bij de Nederlandse filosoof en politiek denker Baruch Spinoza (1632-1677) uitkomen. Ik (thh.) ontleen dat aan het boek van de Italiaans-Duitse politicoloog en ketterse marxist Johannes Agnoli (1925-2003), getiteld Die Subversive Theorie, 2014, p. 185. Die wijst op de potentia(potentie, vermogen), bij Spinoza, de werkzame kracht, een vermogen tot vrije politieke ontwikkeling van een massa mensen, dus van zeer velen. En het is die potentia, zo bedenk ik nu, die de beweging van de (oppositionele) commons – het gemeenschappelijk werken – stimuleert zich te vergroten. Daar gaat het om, lijkt mij, ook bij Pascal Nicolas-Le Strat. Hij verwoordt het aldus.
Het gaat om het vermogen tot ‘anders doen’, te weten om op collectieve manier loodrecht alle verticale autoriteit te dwarsbomen (…) en wel zodanig dat elkeen zich gelijkwaardig tot elkaar kan verhouden, ‘alsof zij al vrij waren’, om de prachtige formule van David Graeber te gebruiken. Dat ‘anders doen’, het ‘nieuwe instellen’, vind je, aldus Pascal Nicolas-Le Strat, in de Franse context onder meer bij de ZAD (‘zone à défendre’; Notre-Dame-des-Landes; barrage de Sivens…). Daarin heeft hij geen ongelijk. Maar als het blijft bij op die manier geven van voorbeelden, gelijk staat met beschrijven van creëren en evalueren, dan vind ik dat aan de magere kant. (p. 68)
Een voorbeeld waarbij langer stilgestaan wordt, is de vele decennia lopende beweging van Do-It-Yourself (DIY). Hij ziet die beweging terug in het hedendaags verdedigde concept van het ‘kritisch engagement’ (p.117). Wie Wikipedia opent op het trefwoord Do-It-Yourself wordt duidelijk, dat je kan teruggaan tot eind 19de eeuw. De variaties voor het ‘zelf-doen’ zijn onnoemelijk. Soms is het oppassen – voeg ik toe – dat niet in de val van het sociaal-darwinisme wordt gestapt. Zo is er het boek van Samuel Smiles getiteld Self-Help (1859, 1866). In een tijd dat tegen overheidsbemoeiing gepleit werd om arme of verarmde burgers bij te staan, werd zelf-hulp gepropageerd… Ik heb niets tegen zelf-hulp maar wijs wel het sociaal-darwinisme af.
Pascal Nicolas-Le Strat neemt zo’n 20 pagina’s om het equivalente Do-It-Yourself in het denken over het ‘gemeenschappelijk werk’ te positioneren, zonder analyse van projecten die daaronder vallen. Dan ga ik mij afvragen voor wie hij dit boek geschreven heeft. Daaraan doet de zin van zijn waarschuwing niet af om voor twee valkuilen te waken als DIY een autonomie-project heet te zijn. Het verwerven van autonomie moet niet tot isolatie leiden. Daarnaast moet worden uitgekeken dat waarden die DIY predikt ((creativiteit, autonomie, vermogen om samen te werken) niet door het dominante systeem worden overgenomen en geëxploiteerd. (pp. 156-159)
In wat ik tot nu toe vanuit het boek van de auteur verwoord heb, zit redelijk wat ‘anarchisme’, zonder dat ergens in het boek dit woord gebruikt wordt. Tot we bij het slothoofdstuk komen dat op zijn minst een goede beschrijving genoemd kan worden van het boek van de Amerikaanse libertaire antropoloog James C. Scott (1936-2024), getiteld Zomia, The Art of Not Being Governed: An Anarchist History (2009). Omdat het woord in de titel zit, kan Pascal Nicolas-Le Strat er niet omheen één keer expliciet op ‘anarchisme’ te wijzen. (p. 260). Hier treft men een behandeling van ‘common in werk’, waarvan ik er meer mocht verwachten. Terecht merkt Nicolas-Le Strat overigens op dat hetgeen Scott bestudeerde niet als voorbeeld voor actueel handelen moet worden begrepen.
De mensen over wie het in Zomia gaat hadden zich aan staatscontrole onttrokken, door onbevolkt gebied in Zuidoost-Azië in te trekken. Zij hadden omringende staten ontvlucht om aan staatsdwang (militaire dienst, belastingbetalingen, dwangarbeid) te ontkomen. Ze leefden in groepen zonder zelf een staatsorganisatie op te bouwen. De manier van onttrekken moet men in die context zien en is niet zomaar naar onze tijd en omstandigheden over te hevelen. Maar met een dosis associatief denken is er wellicht wel iets aan attitude te ontlenen, die maakt dat geproefd wordt aan ‘de kunst van niet te worden geregeerd’. Dat is wat Nicolas-Le Strat in kaart brengt. (pp. 257-274)
Omdat er in het kader van de voorbeelden, zowel Franse als Nederlandse, voor commons en voor ‘als gelijken gemeenschappelijk werken’ veel informatie bestaat, wil ik daar zelf een selectie over verschaffen. Die is bedoeld ter aanvulling op het boek van Pascal Nicolas-Le Strat.
Coöperatie, zelfbestuur, burgerparticipatie
Commons vormen naar het inzicht van Pascal Nicolas-Le Strat de kern van vele sociale en milieubewegingen en staan centraal in talloze experimenten, zoals zelfbeheerde buurtcentra, gedeelde tuinen, arbeiderscoöperaties, praktijkgemeenschappen. Een veel voorkomende organisatievorm voor de werkzaamheid van commons is de coöperatie. Dat is niet vreemd. Een coöperatie is een vereniging met leden en kent een algemene vergadering waar de (belangrijkste) beslissingen genomen worden. Een common is op die manier democratisch te creëren. Allerhande zaken zijn in de statuten te regelen en zullen mede afhankelijk zijn van de soort coöperatie. Het maakt mogelijk dominante bestuurs- of beheermodellen te overstijgen. We kwamen dit recent tegen in het item ‘Collectieve boerderijen: waardevolle openingen in het agro-industriële model’, zie Online.
Het is niet ongebruikelijk het verhaal over de coöperatie bij de Rochdale Pioneers te beginnen. Het betreft een kleine dertig arbeiders met onderscheiden beroepen in de plaats Rochdale (UK), die, in 1844, een verbruikerscoöperatie oprichtten, te weten een kruidenierswinkel voor de inwoners van de plaats. Zij waren de gezamenlijke eigenaren en beheerden de winkel zelf. Valt hier alles samen: Self-Help, zelforganisatie, Do-It-Yourself? Wie meer informatie zoekt over de Rochdale Pioneers, zie Online.
De coöperatie als samenwerkingsvorm valt binnen ruimere begrippen als ‘associationisme’ en ‘solidarisme’, waarbij niet te vergeten ‘anarchisme’; zie over deze samenhang, Online. Soms kan er sprake zijn van ‘integrale coöperatie’, opgezet om kapitalisme en staat te passeren; zie daarover Online. Aan de actualiteit is te ontlenen dat voor bepaalde soorten commons, ik denk dan aan milieuprojecten in de sfeer van energieopwekking, energiecommons (windmolens, zonneparken) het gebruik van de rechtsvorm coöperatie in trek is om burgerparticipatie te verzekeren. In dat geval verloopt de acceptatieverwerving vermoedelijk soepeler (wel een windmolen, maar niet in mijn achtertuin…).
Hetzelfde verschijnsel doet zich voor rond zorgcollectieven. “Vervoer naar het ziekenhuis, boodschappen of klusjes in en om het huis, persoonlijke zorg op maat… Op steeds meer plekken in Nederland pakken burgers de zorg voor hun medemens zelf op. Deze buurtcollectieven brengen zorg dichterbij, maken de buurt veerkrachtiger en laten zien wat er wél kan in een land waar het zorgsysteem onder druk staat”. Ik ontleen dit aan een artikel van Roos Walstock (zie integraal, Online). Ik ben bereid om te zeggen: niets dan goeds. Weg van die neoliberale zorghyena’s die zorgsubsidies uitzuigen. Dit is wellicht de goede stap om de Self-Help van voorheen (sociaal darwinisme half 19de eeuw) de rug toe te keren wanneer tegelijkertijd die zorg niet alleen in een ruimere context van commons wordt gezet, zoals zorgcollectieven, energiecommons, de gebruikerscoöperaties, maar ook in de lokale structuur gericht op burgerparticipatie binnen het socialistische communalisme.
Onder de titel ‘Creatieve constructies om de staat te passeren’ vatte ik samen wat Isabelle Fremeaux (actie-onderzoekster) en John Jordan (kunstenaar-activist) in Europa bijna een jaar lang onderzochten. Zij hebben ontmoetingen gehad met mensen die er hier en nu voor gekozen hebben om anders te leven. Zij begonnen die reis in 2007. Ze deelden andere manieren van liefhebben en eten, produceren en uitwisselen, samen beslissen en rebelleren. Het is zowel een reisverhaal als een fictieve documentaire geworden. Dit film/boek, getiteld Les sentiers de l’Utopie, biedt een echte en een denkbeeldige reis, een verkenningstocht gelanceerd om postkapitalistische levensvormen te ontdekken.
‘Hun trektocht, zo gaf ik weer, begon in een illegaal geïnstalleerd ‘Klimaatkamp’ in de buurt van de luchthaven van Heathrow en liep door tot een gehucht dat werd gekraakt door punkers uit de Cevennen, een Spaanse anarchistische school van eigen leerlingen, een Engelse boerengemeenschap met een zeer geringe ecologische impact, bezette fabrieken in Servië, een vrije-liefde collectief in een voormalige basis van de vroegere Stasi en een boerderij die privé-eigendom heeft afgeschaft. Ze hebben levende utopieën ontdekt in de onzichtbare tussenruimtes van het systeem. Het leveren evenzovele zones op om te verdedigen (ZAD) en commons, collectieven naast activiteiten in eigen beheer. Het zijn creatieve constructies om de staat te passeren. Maar staten verdragen het niet dat men zonder hen zou kunnen leven’ (zie Online).
Een aantal jaren geleden nam de Amerikaanse anarchist Robert Graham een artikel op van de hierboven genoemde John Jordan. Dat ging over de politionele stormloop in april 2018 tegen de bezetters van gronden waar een vliegveld bij het Franse Nantes zou moeten verrijzen. Het gaat dan om de bekende ZAD, Notre-Dame-des-Landes. Ik vertaalde indertijd het artikel van Jordan om een indruk te geven waarover in praktische en theoretische zin gesproken wordt. Het vormt daarmee een nuttige aanvulling, over de ZAD en commons (zie Online).
Economie anders
Wie over een aantal van de hier behandelde deelonderwerpen in het Nederlands wil lezen, verwijs is naar twee uitgaven van de AS. Het op een na laatst uitgekomen nummer omvat het thema Zelforganisatie (de AS nr. 207, zomer 2020; zie Online). Daarin leest men onder meer over ‘integrale coöperatie’, ‘hoe buurtzorg de thuiszorg veranderde’, ‘zelfbeheer in de Utrechtse wijk Lombok’. Het andere nummer kwam vijf jaar eerder uit met het thema Geef, Neem en Deel, Economie anders (de AS nr. 193, najaar 2025; zie Online). In dat nummer komt men teksten tegen over ‘deeleconomie’, ‘produceren onder gelijken’, ‘@nder geld’, ‘gebiedscoöperatie’, ‘geef-economie’. Het idee was (is) dat een maatschappijorganisatie die op commons en coöperatie berust ook behoefte heeft aan een ‘andere’ economie. Dat idee bestaat nog steeds en een ‘andere economie’ zou ook de ‘Freiwirtschaft’ kunnen zijn.
Het Duitse Freiwirtschaft is letterlijk te vertalen met ‘vrije economie’ en kan omschreven worden als ‘economie zonder overheersing’. De grondlegger van de theorie ervan is de Duits-Argentijnse koopman Silvio Gesell (1862-1930) (zie over hem en zijn werk, Online). Hij zag het als een hervormingsproject voor een markteconomie zonder kapitalisme. Zo verwerkte hij invloeden uit het anarchisme, met name door zijn kritische reflectie op het werk van Pierre-Joseph Proudhon (1809-1865). Hij introduceerde de ‘hervormingsmunt’ en het beheer ervan (Freigeld, vrijgeld) en ‘gemeenschappelijk land’ (Freiland, vrijland) (ik ontleende dit aan de verwijzing naar Siegert Wolf, in een boekbespreking van Markus Henning, zie Online).
Tot slot
Ik heb al in het begin tot uitdrukking gebracht, dat het boek van Pascal Nicolas-Le Strat voor een aanmerkelijk deel niet nakomt wat het belooft. Ik vermoed sterk dat dit aan de insteek van de auteur ligt. Die insteek is namelijk niet een anarchistische maar een marxistische. Hoe kom ik daarbij? Naast wat ik daarover al heb opgemerkt, komt nog dat het boek, zeker de eerste helft, rust op uitleg van het denken van de Italiaanse neomarxistische filosoof Antonio Negri (1933-2023) (over hem, zie Online) en de Amerikaanse neomarxistische theoreticus Michael Hardt (1960). In de gebruikelijke literatuur kom je hen vaak tegelijk geciteerd tegen: Hardt & Negri.
De excursie die ik als reactie op de leegte vervolgens gemaakt heb, is bedoeld als een relevante invulling van het door de auteur behandelde onderwerp commun, commons. Op die manier kan bijvoorbeeld het recente item ‘Collectieve boerderijen: waardevolle openingen in het agro-industriële model’ (zie Online), als een van de voorbeelden dienen.
Thom Holterman
Nicolas-Le Strat, Pascal, Le Travail Du Commun, Éditions du commun, Rennes, 2026 (herziene druk), 288 blz., prijs 15 euro.
Reacties (0)
Voeg nieuwe reactie toe
Wij tolereren geen: racisme, seksisme, transfobie, antisemitisme, ableisme enz.