Forum voor Anarchisme
ArtikelenDe AnarchokrantDossiersEventsWiki // Hulp bronnenContact // InzendingForum
|
anarchokrant17 februari 2026

Raoul Vaneigem. Terugblik

Author: Globalinfo.nl | GEPLAATST DOOR: De Anarchokrant | Bron: globalinfo.nl

(Illustratie: uit Internationale Situationniste # 12, september 1969, door Raoul Vaneighem, uit Libcom)

Kracht der creatie

Raoul Vaneigem werd geboren in 1934 in Lessines, in de Belgische provincie Henegouwen. Na zijn studie Romaanse filologie aan de Université Libre de Bruxelles, met een proefschrift over Lautréamont, heeft hij aan diverse scholen les gegeven, en meegewerkt aan verschillende Amerikaanse en Franse tijdschriften. Van 1961 tot 1969 was hij lid van de Situationistische Internationale, en met zijn boek ‘Traité de savoir-vivre à l’usage des jeunes générations’ (in het Nederlands vertaald onder de titel ‘Handboek voor de jonge generatie’) leverde hij een van de meest markante theoretische bijdragen aan de revolte van mei 1968.

In een surrealistische stijl wijst Vaneigem in het ‘Handboek’ een – nog ongebaande – weg aan naar de wereld van de poëzie, ‘de revolutionaire daad bij uitstek’. Ontstaan uit de ontreddering die hij op 28-jarige leeftijd ervoer, vinden we op bepaalde bladzijden nog levendige sporen van de sacrale woede waarmee hij het boek schreef. Vaneigem is zich daarvan bewust, en verloochent dit niet. ‘Mijn onstuimigheid is niet verminderd,’ zo stelt hij, ‘zij is enkel van richting veranderd, zij heeft de grote boulevards van de dood achter zich gelaten, om de weg te banen voor een leven dat opbloeit door de kracht der creatie.’

Het rode gespuis

Hij bekent dat hij lange tijd ‘de haat ter hulp riep voor een onlesbare liefde voor het leven’. Het waren geen subtiele overwegingen die hem deden instemmen met het adagio van Bakoenin: ‘de hartstocht der vernietiging is een scheppende hartstocht’. Een hondje waar hij als kind erg aan gehecht was, werd door een auto overreden, en dat riep bij hem wraakgevoelens op, hij was ervan overtuigd dat het opzettelijk gebeurd was. Toen hij op 14-jarige leeftijd ‘Germinal’ van Zola in handen kreeg, vereenzelvigde hij zich dan ook met de anarchist Souvarine, wiens konijn gedood was door kinderen van mijnwerkers. Op een nacht besluit hij de veiligheidsschroeven van de mijn los te draaien, waardoor de mijngangen onder water lopen en de arbeiders, die na een mislukte staking gelaten het werk hervat hadden, opgejaagd worden.

Tijdens zijn tienerjaren had hij zich aangesloten bij de beruchte fanfare ‘Les Prolétaires’ van Lessines, dat een zestigtal muzikanten groepeerde. Hij speelde daarin trompet. Haast elke week trok de fanfare van het Volkshuis naar de arbeiderswijken van de stad, heen en terug. Bij elk ‘rode’ café werd er halt gehouden, en na gespeeld te hebben werd er bij een fris glas bier met de plaatselijke geestverwanten verbroederd en over politiek gediscussieerd. Daar kreeg de jonge Raoul zijn eerste politieke vorming. De intense vreugde dat daarmee gepaard ging zou hij later terugvinden in de situationistische groep, waar de vergaderingen eindigden in door alcohol gestimuleerde discussies en als uit één mond gezongen liederen.

Een neef was op 18-jarige leeftijd naar Spanje getrokken, had er zich bij de Internationale Brigades aangesloten, en was er gesneuveld. De verhalen over de Spaanse revolutie zouden nog lang in zijn oren blijven nazinderen. De lectuur van romantische verhalen wakkerde zijn haat voor de edellieden en de rijken, voor de hogere klassen en, algemener, voor iedereen die hoed en das droeg, nog aan. Het mooiste compliment, zo herinnert hij zich later, kreeg hij toen hij, in een blauw hemd en met een rode sjaal om de hals, in een optocht van de ‘Jeune Garde Socialiste’ meeliep en een toeschouwer hem toeriep: ‘Daar heb je het rode gespuis!’

De kazerneschool

Het was met weinig overtuiging dat Vaneigem nà zijn studies het leraarsambt op zich nam. Het garandeerde hem een salaris, maar ten koste van welke prijs! ‘Het genoegen om, in gezelschap van mijn leerlingen, een onverzadigbare nieuwsgierigheid aan te scherpen, werd ondermijnd door dagelijkse verplichtingen, door een pietepeuterige bureaucratie, door een despotische autoriteit – omstandigheden die door de economische noodzaak om de cultuur te rentabiliseren door haar af te schaffen, alleen nog maar verergerd werden.’

Als jonge leraar van de normaalschool van Nijvel, in Waals-Brabant, ging hij elke dag naar zijn klas in een zwarte leren jekker, en knoopte hij, vóór de misprijzende ogen van de directeur, een klein gemeen en kortzichtig ventje, zijn das om die door de regels van die tijd voorgeschreven werd. Het was een bloedrode das. Hij viste hem op uit zijn zak met berekende gebaren, op een uitdagende manier. Vaneigem: ‘Het plezier om het onderkruipsel met een ontwapenende en provocerende blik te trotseren, was evenwel vermengd met een woede die met de vermetelheid hem in het gezicht te slaan niet zou geweken zijn.’ Het echte plezier daarentegen stak de kop op als Vaneigem de leergierigheid van zijn leerlingen zodanig wist te prikkelen dat men het eindsignaal van de les niet eens hoorde.

Nadat hij omwille van een amoureus avontuurtje met een studente uit de school ontslagen werd, moest Vaneigem zijn kostje bij elkaar zien te scharrelen. Hij herschreef manuscripten voor een uitgeverij en schreef nota’s voor een encyclopedie. Uit deze activiteiten ontspruit wellicht het materiaal over de ketterse bewegingen in de middeleeuwen, dat in twee omvangrijke boeken (‘Le mouvement du Libre-Esprit’, 1986, en ‘La résistance au christianisme’, 1993) en een deeltje in de serie ‘Que sais-je?’ (‘Les hérésies’, 1994), zijn beslag gekregen heeft.

De Situationistische Internationale

In het prille begin van de jaren zestig zwicht Vaneigem voor de lokroep van Parijs. Hij was zodanig enthousiast geworden voor het werk van Henri Lefebvre, dat hij de Franse filosoof een brief schreef. Deze bracht hem in contact met Guy Debord, hetgeen een cruciale ontmoeting in zijn leven zou betekenen.

Het is onder de titel ‘vriendschap’ dat Raoul Vaneigem zijn herinneringen aan Guy Debord en de situationisten rangschikt. Hij had bij hen de jovialiteit teruggevonden die hij in zijn jeugdjaren gekend had bij de fanfare ‘Les Prolétaires’, en in het amusement en het vertier dat met elk optreden gepaard ging. Het eerste waar hij aan dacht toen Vaneigem in 1994 het bericht van Guy Debords zelfmoord vernam, was aan de drinkgelagen die ze samen beleefd hadden in de cafés van Beersel, waar ze, bij een schuimend glas Gueuze, hun ideeën van de komende maatschappij aan elkaar ontvouwden.

De algemene staking die België in de winter van 1960-61 lam gelegd had, riep de hoop op van een ‘revolutie van het dagelijks leven’. Er ontstond al gauw een innige vriendschap tussen de twee woelmakers, die aangewakkerd werd door het verlangen om onverwijld een eind te maken aan een wereld waarin het niet mogelijk was vrij te leven. Een gedeelde passie voor al wat extreem was scherpte hun ideeën aan. Zij voelden zich door de geschiedenis geroepen om het doodvonnis over de kapitalistische maatschappij te voltrekken. Hun tijdschrift ging van hand tot hand. Maar de stilte die rond hen opgetrokken werd, was totaal. Toch zouden ze, met het tijdschrift ‘Internationale Situationniste’, met het boek ‘De Spektakelmaatschappij’ van Guy Debord, en met ‘Handboek voor de jonge generatie’ van Raoul Vaneigem, in verregaande mate het ideeëngoed van de revolte van 1968 bepalen, en een niet onbelangrijke rol spelen in de universiteitsbezettingen in Parijs.

Mei 68

In mei 1968, zegt Vaneigem, heeft er zich een aardverschuiving en een breuk met het verleden voorgedaan zoals we die maar zelden in de geschiedenis gekend hebben. Met de luciditeit van een plotselinge en brutale revelatie kwam niet minder tot uitdrukking dan de afkeer voor het ‘overleven’ in naam van het ‘leven’. De ellende van de consumptiedrift was nooit zo’n grote kwelling geweest voor volkeren die zo dicht bij het leven stonden en zo verweg van de durf om er zich van meester te maken. De situationisten beweerden dat er een levenskracht aan het werk was die geroepen was zich zonder verpozen te vernieuwen. Het zou er volgens Vaneigem om moeten gaan te ageren voor de vernietiging van een maatschappij die zich verrijkt met zijn eigen ruïnes.

Hoe gevoelig Vaneigem naar eigen zeggen ook was voor de problematiek van de planeet, toch kon hij niet vermoeden dat er zich een economie aftekende die tegenover het speculatieve en steriele kapitalisme een nieuw warensysteem zou stellen, dat haar winst zou puren uit vernieuwbare producten, die omhuld zouden worden met morele en humanitaire slogans.

Vaneigem: ‘Mei 1968 was misschien niet de eerste alarmkreet maar dan toch wel de eerste waarschuwingskreet, het eerste “wie leeft er?” dat, in een mengeling van onrust, provocatie en hoop, geslingerd werd in het gezicht van een maatschappij die morbiditeit en ondergang uitgalmde.’

De situationisten hebben Mei 1968 niet voorspeld, zo benadrukt Vaneigem. Ze hebben er zich toe beperkt, geduldige verbetenheid, er de uitbarsting van voor te bereiden. Gedurende tien jaar hebben hun ideeën een vruchtbaar ondermijningswerk geleverd.

Terugblikkend moet hij toegeven dat in Mei 1968 de recuperatie reeds aan het werk was. ‘Wij kenden de mechanismen van een vervreemding die onze ideeën vervalsten, hen opsloten in een culturele puzzle, hen bekroonden met een gelukzalige ijdelheid. Waarom waren we niet in staat hen te breken?’ Raoul Vaneigem stelt bitter vast dat hij en zijn vrienden in de nadagen van Mei 1968 in de zelfparodie vervielen.

Hedonisme

Vaneigem is steeds een levensgenieter geweest, en toen hij de zeventig overschreden had, was hij dat onverminderd gebleven. ‘Genieten van de verrukkingen van het leven, dàt is de ware jeugd, de enige die opspringt boven alle leeftijden uit.’ Toch wil Vaneigem geen hedonist genoemd worden. ‘Het hedonisme is de ideologie van het genot. De hedonist verorbert zijn genot uit het bord van de dood, hij is gehaast, want hij vreest dat het laatste brokje hem uit de mond zal gestolen worden.’

Had Vaneigem in het ‘Handboek’ een theorie van het verlangen ontwikkeld, waarin creativiteit, liefde en spel centrale begrippen waren, dan zou hij zich een decennium later ervan bewust worden dat er zich in de maatschappij een omslag in tegengestelde richting voltrokken had. ‘Indertijd wierp men zich op het genot als was het een hopeloze strijd. Tegenwoordig werpt het genot zich op ons,’ schreef hij in ‘Le Livre des plaisirs’ (1979). En ook: ‘Op het verbod op stelen, op het bedrijven van de liefde, op emancipatie, op genot, volgde de tegengestelde verplichting. Was je gisteren schuldig omdat je het verbod overtrad, dan ben je tegenwoordig schuldig omdat je het verbod niet met genoeg energie en lef aan je laars lapt.’

In meer recente werken komt hij hierop terug. Vaneigem: ‘In de tijd van de zogenaamde seksuele bevrijding, die gestimuleerd werd door de bloeiende markt van de anticonceptiepil, moest het offer van de maagdelijkheid op het altaar van het huwelijk plaats ruimen voor de schaamte nog maagd te zijn op je vijftiende.’ Consequent met zichzelf, trekt Vaneigem van leer tegen een maatschappij waarin de hartstocht uitgeleverd wordt aan de handelsmentaliteit. ‘De plicht tot genot beroept zich op fysiologische wetten, ten voordele van een wetenschap en een markt die ten allen prijze een orgasme belooft, in de kraam van het mechanisch plezier.’

Zelfdestructie

Niet alleen de tijden waren veranderd. Raoul Vaneigem had ook zichzelf aan een kritisch onderzoek onderworpen. Vaneigem: ‘Het heeft geduurd tot ‘Le Livre des plaisirs’ voordat ik inzag dat het hedonisme veeleer een kunst van het sterven dan een kunst van het genieten was. Ik heb daarbij vastgesteld hoezeer ik gefascineerd was door een zelfdestructie die zich hulde in de glans van het vernietigen van de oude wereld. Door één van die toevalligheden die zich dikwijls voordoen wanneer je ze heel sterk wenst, was een amoureuze ontmoeting erin geslaagd om van binnenuit dit suïcidaire pantser te doorbreken, een pantser dat zijn starheid voor radicaliteit liet doorgaan, het in sektarisme omzette en het tot een religieus dogma verhief.’

Veel van Vaneigems jeugdige wrok is gemilderd. Het was pas op latere leeftijd, zo bekent hij, dat hij zijn ‘roeping van engel des verderfs’ verloren heeft. Zijn vroegere klassenhaat lijkt hem nu een alibi geweest te zijn voor een zelfdestructie die hij in feite koesterde. ‘Het verlangen naar vernietigen is reactionair geworden,’ zo stelt hij momenteel.

‘Overal heerst er bij de mensen zoniet afkeer, dan toch angst om te leven. Geen enkele tijd, geen enkele plaats, geen enkele energie wordt er besteedt aan de verbeelding, aan de creativiteit, aan de vrijgevigheid, aan de “constructie van situaties” die een terugslag, een terugkeer naar de barbarij onmogelijk maken.’ Om te besluiten: ‘Het wordt tijd dat het “nee” aan de onderdrukking ingebed wordt in het “ja” aan het leven.’

‘Ik weet niet goed op welk moment ik geweigerd heb dat de dood voor mij dacht,’ schrijft Raoul Vaneigem. ‘Uiteindelijk werd ik moe van de vermoeidheid toen ik de verwondering van de kindertijd en van de liefde herontdekte. Ik herkende bij mijn kinderen en in de geliefde vrouwen wat er in me school en onder de afwijkingen, de hersenspinsels en de valse schijn van de geest zijn weg zocht.’

De geboorte van twee zonen, in 1977 en in 1979, toen Vaneigem dus al ver boven de veertig was, heeft hem tot andere inzichten gebracht. ‘Het kind is het ware gelaat van de liefde. Niemand ontsnapt aan de innige relatie tot het kind dat in hem huist.’

Fanatisme

Het wordt tijd, zo stelt Vaneigem, dat we de oude roofzuchtige reflex verlaten, die enkel maar een alternatief kan zien tussen vernietigen of vernietigd te worden. ‘We hebben het terrorisme veroordeeld, maar omwille van een verkeerde reden: als een strategische aberratie en niet als een inhumane aberratie.’

Vaneigem is voortaan van mening dat het project dat de voorrang geeft aan de destructie van de oude wereld openlijk haar reactionaire kant getoond heeft. ‘De opbouw van een radicaal nieuwe samenleving uitstellen tot nà de Grote Omwenteling, dat was een mythe die het graf van de revolutie gedelgd heeft.’

Was hij het met Guy Debord eens over de diagnose van het kwaad, dan verschilden ze van mening over de remedies om er een einde aan te maken. ‘Wij baseerden ons op de praktijk van de Spaanse arbeidersraden en collectieven van de jaren 1936-1938. Maar op welke grondslag diende de hernieuwing van de radenbeweging te gebeuren? Op de ethische radicaliteit of op de langzame ontwikkeling van een leven dat zijn weg zocht naar bevrijding? Op dit punt was de breuk onoverkomelijk.’

‘Op welk ogenblik slaat de onverbiddelijke scherpzinnigheid en de afkeer voor het compromis om in fanatisme, in obscurantisme?’ Je kan je onbuigzaam opstellen, zo lijkt Vaneigem te zeggen, dat hoor je ook te doen; fanatisme moet je evenwel vermijden.

Neergang

Toen in de lente van 1968 nieuwe leden toestroomden en de rangen van de Situationistische Internationale groeiden, nam ook het onderling wantrouwen toe. ‘Er ontstonden méér resoluties die opriepen om te breken met de oude wereld dan om een nieuwe wereld op te bouwen.’

Daaruit volgde, in de neergang van de protestbeweging, een klimaat van hypocrisie en van leugens. ‘Hoe hadden wij, een handjevol individuen die bereid waren de vijandigheid van de heersende wereld te trotseren, getolereerd dat de angst zich als een serpent in ons midden nestelde?’ Vaneigem blijft het antwoord schuldig. Hij geeft toe dat ook hij niet op nieuwe ideeën kwam. Pas met ‘Livre des plaisirs’ (1979) – waarvan het schrijfproces uiterst moeizaam verliep – zou hij deze periode te boven komen.

Toen Raoul Vaneigem in het begin van de jaren zestig van een Waals provinciegat in de metropool Parijs toekwam, was één van de eerste dingen die Debord hem voorhield, zo vertelt hij, dat hij snel een gesprekspartner moest kunnen taxeren. ‘Het overleven in de jungle van de stad leert je gauw het vitale belang van een snel oordeel. Het idee dat elke ontmoeting op het eerste zicht iets vijandigs is nam in dit geval een diepere betekenis aan. We waren een handjevol guerilleros die geconfronteerd werden met de legers van de oppressieve almacht. Een weergaloze scherpzinnigheid was ons enige verdedigingswapen.’

Nadat hij de situationistische groepering verlaten had, zou Vaneigem enkel nog de mensen van zijn dorp opzoeken – ‘die gemeenschap waar menselijke gulheid vanzelfsprekend is en boven elke andere overweging staat’. Hij had het afgeleerd de mens te zien als een object dat manipuleert of gemanipuleerd wordt. Hij trad zijn medemens onbevooroordeeld tegemoet.

Het onwaarschijnlijke

‘Niemand van ons heeft carrière gemaakt of is rijk geworden, verre van,’ stelt Raoul Vaneigem met voldoening vast. Maar hij merkt ook op: ‘Niemand heeft ons de enige steekhoudende kritiek geleverd: ons gebrek aan hardnekkigheid om onze ideeën nog verder te ontwikkelen.’

Het is een taak die Vaneigem voortaan bezighoudt, al is de ondersteuning van een groep weggevallen. Hij herziet zijn verleden door een nieuwe bril en blijft ijveren voor een ‘omkering van het perspectief’.

In het prille begin van de 21ste eeuw ziet Vaneigem barsten en kieren ontstaan onder de rimpelloze oppervlakte van de mensen en de dingen, die er volgens hem op wijzen dat er zich ondergronds een verschuiving aan het voltrekken is: de creativiteit verdringt de arbeid; de wil tot leven ondermijnt de wil tot macht; het plezier in zichzelf en in de ander ondergraaft de uitbuiting, de roofzuchtige toe-eigening, het offer, de zelfverloochening; de zucht naar authenticiteit maakt ijdeltuiten belachelijk.

Dergelijke tendensen roepen discussies op. Ze zijn niet verworven – nog niet, zegt Vaneigem, maar hij is vol hoop. ‘Op een verborgen, onzichtbare en klandestiene manier komt er het bewustzijn tot stand van een tegengestelde beweging, die het leven boven de economie stelt.’

En Raoul Vaneigem gokt erop dat de kinderen van de toekomst meer aandacht zullen hebben voor de genoegens van het leven, en veel gemakkelijker dat simpele, passionele, rijkelijke leven zullen verwerven dat hij ten koste van zovele moeilijkheden, twijfels en tegenkanting verlangd heeft.

‘Welke inspanning, welke vermetelheid, welke onbeschaamdheid is er nodig om onophoudelijk deze levenskracht aan te wakkeren die door alles dreigt ondermijnd, genegeerd en bekampt te worden!’ zo roept Raoul Vaneigem uit. Om te besluiten: ‘Niets is onmogelijk voor wie zich niet laat afschrikken door het onwaarschijnlijke.’

* Raoul Vaneigem, ‘Entre le deuil du monde et la joie de vivre’, Paris: Gallimard/Verticales, 2008;

* Raoul Vaneigem, ‘Le Chevalier, la Dame, le Diable et la mort’, Paris: le cherche midi, 2003;

* Raoul Vaneigem, ‘Handboek voor de jonge generatie’ (1967), Amsterdam: Arbeiderspers, 1978.

Reacties (0)

Voeg nieuwe reactie toe

Wij tolereren geen: racisme, seksisme, transfobie, antisemitisme, ableisme enz.