Dictatuur, Een Antithese Van Democratie? Van Rechtsstaat Naar Machtsstaat. En Terug?
Hoe zou je een land noemen dat Venezuela op 3 januari 2026 binnenvalt (zie Online) en de president van dat land gevangenneemt? En zie eens hoe het politieke keuzemenu kort daarna er voor Venezuela uitziet: het optuigen van een eigen autoritair bewind door de nieuwe interim-president van Venezuela. Het gaat dan zoiets worden als een ‘investeringsvriendelijke dictatuur’. Investeringsvriendelijk? Ja, voor buitenlandse investeerders (zie Online).
Tussen democratie en dictatuur blijkt een zekere vloeibaarheid te zijn ontstaan. De Franse juriste en politicologe Eugénie Mérieau wijst er in een vraaggesprek op: ‘Er is een grote verwantschap tussen democratie en dictatuur’ (in Marianne van 5-11 februari 2026). Het vraaggesprek heeft als aanleiding de herziene uitgave van haar boek, getiteld La dictature, une antithèse de la démocratie?. Tussen dictatuur, illiberale democratie en uitzonderlijke rechtsstelsels vervagen de grenzen. Een verschijnsel dat zij in haar boek met een karrevracht aan gegevens belegt. [ThH]
Conversie van rechtsstaat in machtsstaat
Het was in de beginjaren 1970 dat wij, rechtenstudenten aan de juridische faculteit van de Erasmus Universiteit Rotterdam, over de conversie van rechtsstaat in machtsstaat hoorden. Dat was in colleges van Jack ter Heide, een van de grootste Nederlandse rechtstheoretici van de tweede helft van de twintigste eeuw. Wat hij duidelijk wilde maken, was dat in de rechtsstaat de machtsstaat huisde. Die machtsstaat kon bereikt worden door het juridische gevest van de rechtsstaat deel voor deel te elimineren waardoor de machtsstaat herkenbaar werd. Ter Heide gebruikte daarbij de metaforische ui die zich tot een kern laat afpellen, welke kern de machtsstaat verbeeldde. Dat uitpellen, afpellen en de omvorming die dit opleverde vindt men terug in de zinsnede ‘conversie van rechtsstaat in machtsstaat’. Dit betekent dat de machtsstaat nooit is weggeweest, hij is altijd achter de hand gehouden.
Wie de geschiedenis doorloopt over de staat, ook toen er nog geen sprake was van ‘de staat’ in moderne zin (zo vanaf de 16de eeuw), krijgt een geschiedenis van verschillende machtsontwikkelingen voorgeschoteld. Macht draagt in zich het vermogen tot eenzijdige overheersing. Dat blijft duidelijk, ook al zal in de loop van de geschiedenis macht gedeeltelijkmet een juridisch gevest omhangen worden. Die overgang wordt soms verwoord met van ‘government by men’ naar ‘government bij laws’ (zie voor wat ik hier ‘geschiedenis’ noem het boek van de Italiaanse politicoloog Alexander Passerin d’Entrèves, getiteld The Notion of the State, An Introduction to Political Theory, 1967). Die ‘laws’, wetten, brengen de rechtsstaat in beeld. Wat wij nooit mogen vergeten is dat ook de rechtsstaat, als staat, een constructie van statelijkheid is. Dat laatste levert onverbiddelijk verticale machtsconstructies met immanent een eenzijdige bevelsbevoegdheid. De rechtsstaat is in die constructie een weke configuratie.
In de eerste plaats zijn ‘wetten’ in die constructie van statelijkheid ‘netten’ die van bovenaf worden afgeworpen. In de tweede plaats zijn die wetten door andere wetten te veranderen of laten zich afschaffen. Je hoeft daarvoor maar de laatste dertig jaar neoliberale overheersing te onderzoeken onder het kopje ‘afbraak rechtsstaat’. Maar ten derde, zelfs als dit niet het geval zou zijn, is nog het volgende aan de orde. In een rechtsstaat spreken we niet meer over ‘macht’. Dat laatste is, voor zover relevant, in wetgeving vertaald in de sfeer van bevoegdheid. Ik omschrijf dit juridische begrip als ‘het mogen verschijnen in de vorm van eenzijdige gezagsbinding’. Je kan, als het goed is, steeds aan een bevelvoerende overheidsdienaar vragen naar de wettelijke grondslag van zijn handelen. Als die er is, kan deze legaal jou overheersen (een opdracht geven). Ontegenzeggelijk blijft dus de machtsstaat aanwezig. Maar niet alleen op die manier. Hij is ook afroepbaar.
Die problematiek levert een ten vierde op, en wel van de kwestie van het staatsnoodrecht. Dat is in menig grondwet op zodanige wijze geregeld dat, onder omstandigheden, de rechtsstaat kan worden ‘kaltgestelt’ (uitgeschakeld). Daarna kan de hoogste leider van het land (president, minister-president, chef d’état, Führer) autoritair/dictatoriaal handelen – al naar gelang de in werking tredende, vervangende wetgeving luidt.
Het staatsnoodrecht is er voor het uitroepen van een uitzonderingstoestand voor alle mogelijk denkbare noodsituaties, daarom ook wel ‘uitzonderingsstaat’ opleverend (‘l’État d’exception’). Ook komt men de term ‘staat van beleg’ tegen of ‘état de siège’, waarmee verwezen wordt naar een uitzonderlijk en tijdelijk regime om een dreigend nationaal gevaar (gewapende opstand of buitenlandse invasie) het hoofd te bieden (zie Online). In het Frans spreekt men van ‘l‘État d’urgence’, de urgentiestaat.
Om al die verschillende antidemocratische instituties in leven te roepen is in beginsel geen publieke herkenbare reden nodig, want er is altijd nog terug te vallen op zoiets als de ‘staatsraison’, de ‘reden van staatsbelang’. Door daarop een beroep te doen, legitimeert de zittende regering zich om buiten de wet om te handelen. Ook bestaat er als zondebok de‘binnenlandse vijand’, een regeringsinstrument op afroep bruikbaar voor wetteloze interventie (zie Online). Allemaal bestaande mogelijkheden in zich democratisch noemende landen…met effecten herkenbaar in dictaturen.
Het boek van Eugénie Mérieau gaat nu parallel lopen met het hierboven staande. En het sterke van het boek is, dat het historisch feitenmateriaal aandraagt om dit alles te onderbouwen. Zo veronderstelt democratie de rechtsstaat, waar men dan aan het andere uiterste van de lijn de permanente uitzonderingsstaat van de dictatuur plaatst. Aldus vindt er vervolgens vaak een morele veroordeling van het laatste te lezen. Mérieau levert evenwel een empirische analyse van ‘dictatuur’. In dat geval blijkt dat de zaken door elkaar (kunnen) lopen zoals ik nog met een voorbeeld uit een andere tekst van haar zal aangeven. Dat voorbeeld betreft de ‘dubbele staat’ (L’État dual), die eenmaal in haar boek verschijnt (p. 86). Ik kom erop terug.
Opzet van het boek
Het is niet ongebruikelijk dat voor een thema als het onderhavige grote zorg wordt besteed aan het definiëren van de gebruikte sleuteltermen, zoals ‘democratie’ en ‘dictatuur’. De auteure heeft het anders aangepakt. Zij gaat uit van wat er zoal met behulp van die termen wordt beweerd, waarna zij die bewering analyseert. Zij doet dat op een manier die maakt dat de bewering verschijnt als passend binnen het kader voor wat gebruikelijk voor democratie of dictatuur wordt gehouden. Dat confronteert en vergelijkt zij dan in onderling verband om te demonstreren dat de effecten gelijkaardig zijn.
Zij doet dat variërend op een vaak gebruikte manier van argumenteren door twee uitersten naast elkaar te houden. Democratie zou ‘goed ‘zijn, dictatuur ‘slecht’. Zij analyseert dan op dat punt wat slecht heet te zijn, bijvoorbeeld op demonstranten met scherp schieten. Maar gebeurt dat in een democratie dan niet, kan men zich afvragen. Onlangs nog zelfs, in de USA door ICE-agenten. Maar dat niet alleen. In ICE-detentiecentra is waar te nemen, dat er een Russische goelag-sfeer heerst en waar inmiddels een aantal mensen overleden is (zie Online)…
In vijf hoofdstukken behandelt zij 20 bestaande ideeën over autoritaire regimes, waarna een Conclusie volgt. Elk van de hoofdstukken bestrijkt een bepaald thema. Het eerste gaat in op dictatuur en ‘filosofie’, zoals, onder meer, de kwestie: ‘Als dictaturen volharden, dan is een schok van beschavingen onvermijdbaar’. Het tweede hoofdstuk analyseert ‘Dictatuur en recht’ in relatie tot de kwestie ‘Is dictatuur onverenigbaar met recht?’. Het derde hoofdstuk betreft ‘Dictatuur en economie’. Een van de kwesties luidt ‘Des te rijker een staat is, des te minder loopt die het risico weg te zakken in een dictatuur’. Het vierde hoofdstuk gaat over ‘Dictatuur en internationale relaties’, waarbij de vraag is ‘Leveren de voornaamste dictaturen bedreigingen voor de internationale vrede?’. Een van de ideeën hierachter is de kwestie ‘Dictaturen vormen een strategische alliantie gericht op het destabiliseren van democratieën’. Het laatste hoofdstuk ziet op ‘Dictatuur en psychologie’ met het oog gericht op ‘Zijn dictaturen irrationeel?’, waarbij een van de ideeën om te behandelen is: ‘Dictators besturen naar hun grillige inslag’.
De bedoelde ideeën en kwesties zijn in aanzet geformuleerd als retorische vragen of stellingen. Het blijken alle veelvoorkomende misverstanden te betreffen. Zo is daar de stelling: ‘In een dictatuur heeft de grondwet geen enkele waarde’ of de vraag: ‘Generaal De Gaulle was een dictator?’. Haar reactie op de laatste vraagstelling is het schetsen van de ‘chantage’ die De Gaulle bedreef ten opzichte van de toen zittende Franse president. Hem werd toegestaan een regering te vormen en kreeg een volmacht om binnen een half jaar orde op zaken te stellen. De bestaande grondwet schafte hij af en stelde een nieuwe grondwet op. Daarin werd een artikel (16) opgenomen dat hem – indien hij later tot president benoemd zou worden – alle macht verschafte, waaronder uitzonderingsmaatregelen te nemen in afwijking van de rechtsstaat. Aldus geschiedde ook.
Daarnaast nog het volgende. Onder de hoede van De Gaulle kon Maurice Papon (zie het item ‘Saloncriminelen’, Online) politieprefect van Parijs worden, hoewel bekend was dat die onder het Vichy-bewind, als een Franse Eichmann, de deportatie van Franse joden naar nazi-Duitsland had georganiseerd. Bij het ‘regelen van de openbare orde’ in Parijs tijdens een demonstratie – 17 oktober 1961 – verloren onder zijn bevel door verdrinking in de Seine ongeveer 200 personen van Algerijnse afkomst het leven (zie pp. 78-79, Mérieau). Aan de lezer laat Mérieau het antwoord op de eerder gestelde vraag over.
Andere vraag in haar boek: ‘De uitvinding van concentratiekampen: dictatuur of democratie?’. Koeltjes levert zij een opsomming wanneer waar wat plaatsvond. In Zuid-Afrika tijdens de Boerenoorlog ‘parkeerden’ de Britten 200 000 burgers, vrouwen en kinderen in tenten omgeven door prikkeldraad. Hoewel sommige parlementariërs dit barbaars vonden, liet men het zo. Tienduizenden ingeslotenen vonden de dood. In 1904 importeerde Duitsland in haar West-Afrikaanse kolonie (Namibië nu) het idee van het ‘interneringskamp’. Een Duitse generaal schreef de eerste orders uit tot uitroeiing van het Hereo volk in die kampen geïnterneerd. 100 000 Namibiërs en de populatie Hereo’s werden omgebracht. Tijdens de Eerste Wereldoorlog waren het de democratieën die ‘gedwongen werkkampen’ inrichten, waarvan de Britten ook in hun koloniën gebruik gingen maken. In de Tweede Wereldoorlog heeft nazi-Duitsland dan aan de concentratiekampen vernietigingskampen toegevoegd (pp. 62-63).
De dubbele staat
In haar boek behandelt zij als een van de ideeën het volgende idee: ‘In een dictatuur, is justitie niet onafhankelijk’. Een van de punten die daarbij behandeld wordt, is de mogelijkheid van opdeling: voor welk soort zaken komt men bij wie (welke soort rechter) terecht? In dat geval wijst Mérieau op het boek van de Duits-Joodse jurist en politicoloog Ernst Fraenkel, getiteld The Dual State (1941). Fraenkel, die in 1939 naar de USA immigreerde, analyseert daarin het politieke systeem van de Duitse nazistaat. Hij merkt op dat naast elkaar voorkwamen een ‘normatieve staat’ (Normenstaat) en een ‘prerogatieve staat’ (Maßnahmenstaat). De eerste verzekerde de continuering van de kapitalistische maatschappij voor Duitsers die door het nazisme met rust gelaten werden. De tweede was bedoeld voor mensen die beschouwd werden als ‘vijanden van het nazisme en de Duitse nazistaat’, tegen wie zowel wettelijk als buitenwettelijk geweld gebruikt mocht worden. Bij elkaar genomen een ‘Doppelstaat’ dus.
Deze beschrijving deed mij terugdenken aan de Nederlandse situatie, waarin we tegenkwamen een Nederland waar de blanke top der duinen schittert in de zonnegloed. En een Nederland dat dictatoriaal huishield in Nederlands-Indië. Dit laatste werd tot na de Tweede Wereldoorlog volgehouden met voltrekking van ‘politionele acties’. Nederland een ‘dubbelstaat’? Nederland aan de Noordzee een democratische rechtsstaat en Nederland in zijn kolonies een dictatuur. Dit moet onderzocht zijn. Of hebben Nederlandse staatsrechtjuristen tot nog toe gedaan alsof hun neus bloedde? Ik hoor het graag.
Mérieau heeft wat de Franse staat aangaat een doopzeel gelicht. Zij analyseerde de situatie en schreef het essay te vinden op Cambridge University Press, getiteld French dual constitutionalism, Tocqueville and Algeria: liberal authoritarism as constitutional technique of liberal imperialism (Frans dubbel constitutionalisme, Tocqueville en Algerije: liberaal autoritarisme als constitutionele techniek van liberaal imperialisme) (zie Online).
Wat zij ‘dubbel constitualisme’ noemt, valt samen met ‘gefragmenteerde wettelijkheid’. Hier rechtsstaat/democratie en daar dictatuur. Waar? Wel, dubbel constitutionalisme is oorspronkelijk een koloniale bestuursvorm. Die berust op een liberale grondwet, die tegelijk een uitzonderingstoestand vastlegt. Door het inroepen van die toestand wordt de grondwet vervolgens opschort voor specifieke zaken, gebieden en gedurende bepaalde perioden. Deze uitzonderingstoestand kan militair zijn – in Frankrijk de ‘staat van beleg’ genoemd, – of civiel zijn – de ‘noodtoestand’. In het geval van Frankrijk heeft het liberale autoritarisme sinds de Franse Revolutie verschillende vormen aangenomen, met een bloeiperiode in het liberale kolonialisme van de late 19e eeuw, vervolgens het volwaardige liberale autoritarisme van het interbellum en uiteindelijk het neoliberale autoritarisme van de 4e en 5e republiek. Voor een vergelijking met de Nederlandse situatie past het om die duale vorm te herkennen in relatie met Nederlands-Indië als kolonie. Voor de Franse situatie gaat het om de relatie met Algerije als kolonie. Die beschrijft Mérieau als volgt (mijn vertaling):
“…de relatie tussen Frankrijk en zijn Algerijnse kolonie tijdens de Derde Republiek
(1870-1940) (..) documenteert hoe de noodtoestand werd gebruikt om een gelegaliseerde dictatuur te vestigen, waarin alle uitvoerende, wetgevende en rechterlijke macht in handen van een gouverneur lag. Dit om de vorming van markten af te dwingen door collectief landbezit en -gebruik en andere niet-liberale economische gewoonten van de lokale bevolking af te breken. Hierbij werd met name gebruikgemaakt van het juridische instrument van de ‘sequestre’ (onteigening), waarmee de staat land en bezittingen van de lokale bevolking zonder compensatie kon onteigenen (inclusief dwangarbeid opleggen en interneringskampen inrichten) – allemaal om ‘vrij ondernemerschap’ bij de kolonisatoren te stimuleren. Veel van deze juridische instrumenten en technieken keerden terug naar het moederland toen de Derde Republiek in 1940 officieel ontbonden werd en overging in een nazistaat, via wettelijke procedures en in overeenstemming met de grondwettelijke regels van de Derde Republiek.”
Ter afsluiting verschaf ik nog wat Mérieau op een en ander laat volgen:
“De vraag naar de relatie tussen publieke vrijheden in eigen land en autoritarisme in de koloniën, of deze nu causaal of toevallig is, staat nog steeds centraal in de huidige debatten binnen de geschiedenis, sociale wetenschappen en het recht. Een onderzoek van het discours en de handboeken over constitutioneel recht van de Derde Republiek laat echter geen twijfel bestaan: het lot van de Franse democratie, en in het bijzonder de liberale democratie, werd gezien als afhankelijk van haar succes bij de consolidatie van de koloniale verovering.” Tot nader order neem ik aan dat voor Nederland het niet anders is.
Onderwijl hebben we ook kunnen constateren dat de machtsstaat in leven gehouden is: om in de kolonies de dictatuur in te stellen.
Een gevolgtrekking?
Is democratie precies het tegenovergestelde van dictatuur? De realiteit is niet zo eenvoudig. Tussen dictatuur, illiberale democratie en uitzonderlijke rechtsstelsels vervagen de grenzen. Hoe geruststellend het onderscheid tussen een democratisch ‘wij’ en een dictatoriaal ‘Anderen’ ook mag zijn, Mérieau laat zien dat de fundamenten van een dergelijk discours niet bestand zijn tegen kritische analyse. Zij toont dit aan door de voornoemde twintig veelvoorkomende misvattingen over dictatuur te weerleggen. Door vooroordelen en vooringenomenheden bloot te leggen, nodigt de auteure de lezer(es) uit om, door middel van reflectie, onze democratische samenlevingen te onderzoeken. Mijn gevolgtrekking is: zou in de politiek-maatschappelijke werkelijkheid blijken dat dictatuur géén antithese is van democratie, dan zit er in het laatste iets – of meer dan dat – grondig fout…
Thom Holterman
Mérieau, Eugénie, La dictature, une antithèse de la démocratie, Éditions La Cavalier Bleu, Paris, herziene druk 2025, 239 blz., prijs 13 euro.
Reacties (0)
Voeg nieuwe reactie toe
Wij tolereren geen: racisme, seksisme, transfobie, antisemitisme, ableisme enz.