Forum voor Anarchisme
ArtikelenDe AnarchokrantDossiersEventsWiki // Hulp bronnenContact // InzendingForum
|
anarchokrant12 juli 2026

De Oorlogsweigeraars 14-18. Ongehoorzaamheid Als Wapen

Author: Tijdschriftdeas | GEPLAATST DOOR: De Anarchokrant | Bron: libertaireorde.wordpress.com

In het voorjaar van 1917 kwam een korte maar intense beweging van verzet op tegen de terugkeer naar de loopgraven van het Franse leger. Tienduizenden muiters trotseerden het gezag en veroordeelden de oorlog. Historicus André Loez plaatst dit moment in de context van de talrijke geïsoleerde incidenten die zich sinds 1914 hadden voorgedaan. Hij onderzoekt de complexiteit en diversiteit van de opvattingen en biedt een sociaalhistorisch perspectief op ongehoorzaamheid gebaseerd op de processtukken van het militaire rechtssysteem, de rijkste bron ondanks de inherente vooringenomenheid ervan.

Nederland beleefde een kleine halve eeuw later ook zo’n beweging. Het was juist bevrijd (mei 1945) van de onderdrukking door nazi-Duitsland, of het ging zelf weer onderdrukker spelen door troepen te sturen naar (voormalig) ‘Nederlands-Indië’. Dat had op 17 augustus 1945 de Republiek Indonesië uitgeroepen, terwijl Nederland dit als kolonie wilde behouden. Ongeveer 4000 Nederlandse dienstplichtigen weigerden mee te werken (Zo’n 2600 werden uiteindelijk veroordeeld tot celstraffen van twee maanden tot 5 jaar) en drukte zo hun ongehoorzaamheid uit. Er is een brochure over deze geschiedenis (zie Online).

In Frankrijk was de represaille tegen ongehoorzaamheid heftiger dan in Nederland. Zo telt men, aan het eind van het eerste jaar van de oorlog 14-18, tegen de 500 gefusilleerde weigeraars als disciplinaire en afschrikwekkende maatregel. Ik wijs op deze reactiewijze van het (overheids)’gezag’ om aan te geven hoe en waarom machthebbers het wenselijk achten, het verschijnsel ‘gehoorzaamheid’ maatschappelijk geworteld te houden. Wat dat aangaat leek het mij goed een aantal alinea’s te vertalen uit de bespreking door Ernest London, van het boek van André Loez, getiteld 14-18. Les refus de la guerre. Une histoire des mutins (14-18. Oorlogsweigering: een geschiedenis van muiters). [ThH]

De muiterijen van 1917

André Loez betwist allereerst de opvattingen over de ‘oorlogscultuur’ en instemming die de muiterijen van 1917 afschilderen als uitzonderingen die de regel bevestigen. Strategieën van vermijding, wapenstilstanden en verbroedering zijn nu zo goed gedocumenteerd dat ze niet langer als onbeduidend kunnen worden afgedaan. Vanaf augustus 1914 drong de oorlog zich op aan ‘iedereen’, als een externe gebeurtenis. Het is daarom zinloos om individuele redenen te zoeken om eraan deel te nemen. Er was gewoon geen andere keuze.

“Het zijn niet de individuen die vasthouden aan, kiezen voor of ‘instemmen’ met iets, maar de sociale banden en mechanismen die worden versterkt, waardoor de vasthoudendheid, samenhang en conformiteit van iedereen worden gewaarborgd.” Deelname aan een oorlog, meer dan een “patriottisch gevoel gekoppeld aan het besef van een rechtvaardige en defensieve oorlog”, onthult de effectiviteit van de natiestaat (controle over grondgebied, militaire dienstplicht en verplicht onderwijs, identificatie,…). Loez definieert ‘sociale conformiteit’ als ‘de reeks handelingen en praktijken die plaatsvinden binnen een collectief en gewoontematig kader, zonder dat daaraan voorafgegaan wordt door privéoverweging of weloverwogen keuze’.

Uitzonderlijke maatregelen worden genomen: een staat van beleg die bijeenkomsten verbiedt en vrijgeleiden vereist voor verplaatsing, censuur van de pers en schorsing van het parlement. Alles draagt ​​ertoe bij dat elk discours dat zich tegen de oorlog verzet of kritiek uit op de methoden ervan, onmogelijk en ondenkbaar wordt. De eerste verklaringen die een kort conflict aankondigen, moeten zich echter aanpassen aan de realiteit en ‘massale sterfte’ rechtvaardigen, waarbij thema’s als ‘bloedbelasting’ en ‘morele economie van opoffering’ worden opgenomen. In 1915 en 1916 wordt het openbare leven opnieuw extreem conflictueus. Bijgevolg worden verontwaardiging, protest en afwijkende meningen opnieuw getolereerd, zelfs onder strijders, die vrij zijn om te schrijven naar hun vertegenwoordigers of journalisten. De muiterijen van 1917 lijken dan ook een radicalisering van deze protesten.

Sinds de Franse Revolutie zijn soldaten theoretisch gezien ‘burgersoldaten’. Hun gehoorzaamheid wordt dan ook gezien als een gevolg van de uitoefening van hun burgerschap. Dit concept wordt echter op de proef gesteld door het uitbreken van de oorlog, en tegen het einde van het eerste jaar van het conflict worden bijna 500 soldaten om disciplinaire redenen geëxecuteerd. Hun eisen voor hun rechten zijn “een felle bevestiging van hun vroegere identiteit als burger”, een politieke kritiek op het uiteenvallen van het republikeinse egalitarisme en een uiting van ‘beroepsgeweten’ in hun ‘soldatenberoep’. Het model dat de legerleiding voor ogen had, een model van een leger dat volledig losstaat van het thuisfront, blijkt onhoudbaar naarmate de oorlog voortduurt. Cafés en restaurants in de buurt van de frontlinie worden ontmoetingsplaatsen voor burgers en spelen een rol bij het uitlokken van muiterijen.

Om de omstandigheden te begrijpen die collectieve actie mogelijk maken, stelt Loez voor om voorbij de valse tegenstelling tussen ‘patriotisme’ en ‘pacifisme’ te kijken. Een groot aantal strijders, ongeacht hun hiërarchische positie of sociale of politieke achtergrond, merkte de enorme, onnodige menselijke kosten op, vooral gezien de behaalde resultaten. Evenzo ervoeren ze in toenemende mate de afbrokkeling van gelijkheid in het aangezicht van de dood, aangezien de rijken schaars waren aan het front. Echter, “vóór het voorjaar van 1917 en de periode van muiterijen werd er niet over vrede gesproken. De weerstand tegen de strijd uitte zich toen in diverse praktijken, legaal of illegaal, individueel of collectief”. Zo deed men vrijwillige aanmeldingen voorafgaand aan een oproep voor de marine, artillerie of genie, om bijvoorbeeld de dodelijke ervaring van infanteriedienst te vermijden, of men verminkte zichzelf. In een context waarin alle toespraken plicht en moed prijzen, “betekent ongehoorzaamheid dat men zich blootstelt aan diepe publieke schande.” Maar al in 1915 baarde het verzet tegen subversieve liederen of weigeringen om aan te vallen de heersende klasse zorgen. [..]

Hoewel de muiterijen eind april begonnen, werden ze vanaf 20 mei wijdverspreid en versnelden ze, met een piek in intensiteit tussen 30 mei en 7 juni. Vanaf 20 mei berichtte Le Petit Parisien dagelijks over de gebeurtenissen van de Russische Revolutie: verbroedering, soldatencomités en zelfs de beraadslagingen van de sovjets, die als mogelijk model konden dienen voor de acties van de muiters. De debatten rond de socialistische anti-oorlogsconferentie in Stockholm voedden eveneens de hoop op vrede en een einde aan het conflict. Ten slotte eisten stakingen in Parijs, eerst van naaisters en later van munitiewerkers, aanvankelijk loonsverhogingen en een ‘volledige werkweek’, voordat ze duidelijk anti-oorlogsgericht werden

Het intrekken van verlof en talloze geruchten (revolutie, het Louvre in brand, koloniale regimenten die op stakende vrouwen schoten, muiterijen, enz.) droegen bij aan het ontstaan ​​of de bevordering van gebrek aan discipline (‘indiscipline’). De rebellie werd aanvankelijk in verband gebracht met het gevoel van gevaar (het bevel om terug te keren naar de loopgraven), aangewakkerd door een voorbeeld van ongehoorzaamheid dat hoop bood op ontsnapping. Het gebrek aan repressie van de eerste muiterijen door officieren die aarzelden om geweld te gebruiken en de voorkeur gaven aan overleg, speelde ook een rol in de verspreiding van het gebrek aan discipline. [..]

Tijdens de muiterijen probeerden de generaals de situatie te begrijpen, voorbij de obsessie van sommigen met pacifistische motieven. Er werd veel moeite gedaan om de ‘leiders’ te isoleren. De wens om te straffen en een voorbeeld te stellen was unaniem. Doodvonnissen werden uitgesproken, aanvankelijk tot half juni, om te voorkomen dat de onrust zich zou verspreiden. Hoewel deze strengheid van de krijgsraden (er werden er zo’n vijfhonderd uitgesproken) aanhield, werden veel vonnissen door civiele autoriteiten uitgevoerd. Maarschalk Pétain (1856-1951) [die tijdens WO II met zijn Vichy-regime met de Duitse bezetter collaboreerde; thh.] beval ook een ‘zuivering’ van de regimenten door bijna 2000 soldaten naar de koloniën over te plaatsen, buiten elk wettelijk kader om. Ongehoorzaamheid werd ook de kop ingedrukt door verlof te verlenen, om ontevreden soldaten te verspreiden.

André Loez analyseert de muiterijen van 1917 in al hun complexiteit. Een bewonderenswaardig en essentieel werk. Het laat ook zien hoe gehoorzaamheid de meest gevaarlijke schakel in de maatschappelijke keten is: oorlog voeren, koloniale overheersing afdwingen. Het wapen daartegen? Massale ongehoorzaamheid!

Ernest London (Vertaling en bewerking Thom Holterman. De bespreking is integraal te lezen op de site Bibliothèque Fahrenheit 451, zie Online.)

Loez, André, 14-18. Les refus de la guerre. Une histoire des mutins, Éditions Gallimard, Parijs, 2010, 704 blz.

Reacties (0)

Voeg nieuwe reactie toe

Wij tolereren geen: racisme, seksisme, transfobie, antisemitisme, ableisme enz.