Forum voor Anarchisme
ArtikelenDe AnarchokrantDossiersEventsWiki // Hulp bronnenContact // InzendingForum
|
anarchokrant11 maart 2026

LOS & VAST – 16:  ‘Saloncriminelen’

Author: Tijdschriftdeas | GEPLAATST DOOR: De Anarchokrant | Bron: libertaireorde.wordpress.com

Rubriek Thom Holterman:  Enkele jaren geleden bracht ik het optreden van Nederlandse soldaten na 1945, in Indonesië, in verband met het optreden van een Franse Parijse prefect. Diens initiatieven veroorzaakten in oktober 1961 dat enkele honderden Algerijnen in de Seine verdronken (zie Online). Deze prefect, Maurice Papon, was dezelfde die tijdens de Duitse bezetting van Frankrijk voor het Vichy-regime, als prefect, de deportatie van Franse Joden had georganiseerd. Wat mij gelet op deze verschillende historische gebeurtenissen bezighoudt, is de vraag waarom mensen bereid zijn dit soort opdrachten uit te voeren?’ Ik had het over Nederlandse soldaten na 1945 binnengedrongen in een ander land. Nederland had dus net de Duitse bezetting achter de rug en ging vervolgens doodleuk (opnieuw) een ander volk onderdrukken. En daarvoor laat je je gebruiken? Als leider van de troepen, als Nederlandse soldaat… Op de enkele tientallen jongens na die weigerden dat te doen waarvoor zij als criminelen, militair-rechtelijk, werden veroordeeld. En Papon? Die had ontslag kunnen nemen, in het eerste geval en in het tweede geval had hij zich niet hoeven te laten benoemen. Maar kennelijk verlangde hij er naar zo te mogen handelen, als wat Adorno houdt voor een ‘autoriteitsgebonden persoonlijkheid… 

Is er iets meer over Papon te zeggen? Dat is het geval en ik zal dit doen door een aantal punten te lichten uit de bespreking door Ernest London op Bibliothèque Fahrenheit 451 (zie integraal Online) van het boek van Franse libertaire jurist Jean-Jacques Gandini, getiteld Le procès Papon (2025).

Ernest London:  ‘Het Franse archetype van de Schreibtischtäter, de ‘saloncrimineel’ zoals gedefinieerd door de Duitse pers tijdens het Eichmann-proces (1961)’, zo geeft Johann Chapoutot weer in zijn wetenschappelijke voorwoord, past op Maurice Papon. Het is een ‘gewone’ ambtenaar van het Vichy-regime. Jean-Jacques Gandini, die advocaat werd om de gemarginaliseerden te verdedigen, geeft een verslag van het proces in 1997, nadat hij namens de Franse Liga voor de Rechten van de Mens zes maanden lang Papons proces in Bordeaux had bijgewoond. [..]

Een uitgebreid hoofdstuk is door Gandini gewijd aan het met de Duitsers collaborerende Vichy-regime en de evolutie van antisemitische maatregelen – met goedkeuring van de Raad van State – om de context zo goed mogelijk te reconstrueren: ‘Het was een regelrecht regime van ‘apartheid naar Frans model’ dat door Vichy zelf was ingesteld’. René Bousquet, secretaris-generaal van de politie, stuurde zijn nieuwe richtlijnen naar de prefecten, waarin arrestaties en deportaties werden bevolen. Slechts één prefect nam ontslag: François Martin, de prefect van Tarn-et-Garonne.

Maurice Papon kwam als prefect op de prefectuur Gironde te zitten, de belangrijkste in de bezette zone. Vanaf dat moment, met gedelegeerde bevoegdheid over een aantal diensten, kon hij zich niet onttrekken aan persoonlijke verantwoordelijkheid zodra hij documenten ondertekende. Jean-Jacques Gandini beschrijft dit als de ‘routinisering van het uitzonderlijke’. Papon werd vervolgd voor tien konvooien met mensen van Joodse afkomst – in totaal 1410 personen – die tussen juli 1942 en mei 1944 vanuit Bordeaux vertrokken. Het bleek dat hij niet alleen zonder vragen Duitse bevelen uitvoerde, maar ook mensen liet versturen, die niet tot de doelgroep behoorden (bijvoorbeeld Léon Librach, een Fransman die om zijn overplaatsing als ‘buitenlander’ werd beschouwd).

Zijn ijver is duidelijk. Vaak ging hij zelfs verder dan de instructies van Vichy, bij al deze operaties. Zo liet hij bijvoorbeeld kinderen die verspreid over het departement woonden opsporen en terugbrengen naar Bordeaux, inclusief degenen die van adres waren veranderd, onder toezicht van de Dienst voor Joodse Zaken (SQJ). Zijn verdediging is zwak, aangezien het gemakkelijk zou zijn geweest om te beweren dat hij ze niet had gevonden. Maar de prioriteit was het vullen van de treinen om aan de quota te voldoen. Een katholieke vrouw, Marie Reille, die als ‘niet-Joods’ werd beschouwd, werd naar Auschwitz gedeporteerd en vervolgens teruggestuurd naar Frankrijk. Ze diende in december 1944 een klacht in tegen Papon en Pierre Garat, hoofd van de SQJ, maar haar brief werd teruggestuurd met de vermelding ‘prefecturale immuniteit’.

De auteur weerlegt de beweringen van degenen die doen alsof ze niets van de Endlösung wisten. Hij stelt dat ‘Papon het wel degelijk wist’ en betwist de werkelijkheid van zijn vermeende acties als lid van het verzet. Hij verklaart ook de ‘mislukte zuivering’ na de bevrijding, die hij rechtvaardigt met De Gaulles behoefte aan een bestuur om het land weer op de rails te krijgen, een Amerikaanse militaire regering te voorkomen en te voorkomen dat de communisten, met hun invloed binnen de Nationale Raad van het Verzet, de macht zouden grijpen. De Gaulle wist dat het lokale verzet een slangennest was en kon alleen op Papon vertrouwen, die hem de controle over de politie ‘aanbood’. ‘Op 6 december bevestigde de zuiveringscommissie van het Ministerie van Binnenlandse Zaken zijn aanstelling, hoewel het in strijd was met het beleid om een ​​Vichy-ambtenaar aan te houden, en Papon is daarvan het enige voorbeeld’. ‘De belangen van de staat prevaleerden in naam van de continuïteit van de staat’. Bovendien was de Joodse kwestie geen actueel thema. [..]

Tijdens zijn proces  verklaarde hij herhaaldelijk: ‘Als ik het opnieuw zou moeten doen, zou ik het doen!’ ‘Er is geen gewetensconflict wanneer je overheidsbevelen opvolgt’. Op donderdag 2 april 1998 om 9.00 uur ’s ochtends werd hij veroordeeld tot tien jaar gevangenisstraf, zonder schuldig bevonden te worden aan medeplichtigheid aan moord.

Jean-Jacques Gandini geeft geen strikte chronologie van het proces tegen Papon, maar presenteert een toegankelijk verslag met thematische hoofdstukken. Hij probeert een bredere les te trekken: ‘Wat de omstandigheden ook zijn, ieder individu moet het vermogen behouden om nee te zeggen. Conformiteit en onderdanigheid vernietigen het geweten. Passieve gehoorzaamheid van een ambtenaar is niet gepast wanneer ‘het gegeven bevel kennelijk onwettig is’, volgens de bepalingen van het ambtenarenstatuut zelf. Het zou dan plaats moeten maken voor de ‘plicht tot waarschuwing’.

Tot slot citeert hij de Amerikaanse historicus Robert Paxton: ‘Nee, het is niet omdat er Hitler of Pétain waren dat we mannen zoals Papon hadden, maar omdat er duizenden mannen zoals Papon waren dat we Hitler en Pétain hadden’. ‘En dat is precies de waarde van dit werk, naast de historische bijdrage, en wat wordt benadrukt in artikel 8 van het Statuut van het Neurenbergse Tribunaal: gehoorzaamheid aan een hiërarchische meerdere ontslaat niemand van zijn verantwoordelijkheid’. Tot zover de bespreking door Ernest London van het boek van Jean-Jacques Gandini over Papon.

Saloncriminelen overal

Dat was een Franse ‘saloncrimineel’, maar hij is niet de enige noch blijft deze criminele figuur tot het Franse land beperkt. Wat zou u denken van zo’n nette Hollander als J.B. van Heutsz (1851-1924), voormalig Gouverneur-generaal van Nederlands-Indië (1904-1909). Hij wordt bewierookt voor zijn tactiek beschreven als: ‘het systeem om in geval van verzet met kleine, goed gewapende kolonnes de verzetslieden onafgebroken te achtervolgen; vol te houden tot de totale onderwerping der betrokken hoofden’. ‘Het is die tactiek geweest, die hier tot succes heeft geleid’. Het ging immers om ‘pacificatie’ waarvoor deze tactiek ‘uiterst vruchtbaar is gebleken’ (ik citeer uit het boek getiteld Nederland, Erfdeel en Taak (Wereldbibliotheek, Amsterdam, 1940/1944).

Deze ‘Slager van Atjeh’, zoals Van Heutsz ook werd genoemd, gaf vorm aan een nieuwe imperialistische politiek. Nadat Nederland zelf vijf jaar onder het juk van het Duitse nazisme had gezeten, zette de toenmalige Nederlandse regering onmiddellijk de imperialistische politiek na de bevrijding (1945) in het voormalige Nederlands-Indië voort. Daarvoor was opnieuw ‘pacificatie’ nodig. Een bekende figuur als kaptein Westerling (1919-1987) zette als ‘saloncrimineel’, in de vorm van gewelddadig optreden, ‘zuiveringsoperaties’ op (Zuid-Celebes, periode december 1946-februari 1947). Later kwam er nog gekrakeel of deze man niet een ridderorder had verdiend…

Vervolgens en tenslotte is hier ook aan te haken bij de gedachte van de Amerikaanse historicus Robert Paxton waarop Gandini wijst. Je hebt veel onderdanigen nodig ter schraging van het autoritaire, imperialistische systeem. Ik moet dan denken aan wat Theodor W. Adorno mensen met een ‘autoriteitsgebonden persoonlijkheid’ noemt. Je moet een verlangen kennen om je te onderwerpen aan wat ‘hogerop’ wenselijk acht om te realiseren. En tegelijkertijd moet je zo autoritair zijn om zelf over ‘lager’ gepositioneerden te heersen (zie daarover Adorno die wijst op de Radfahrerrnatur; metaforisch: de fietser zet een hoge rug op naar hoge autoriteiten en trapt naar beneden die zich onder hem bevinden; zie de bespreking van Désir autoritaireOnline). 

Het betekent dat er ook top saloncriminelen zijn, dus saloncriminelen in de toppen van autoritaire systemen, zoals staten. En wat de criminaliteit aangaat, in onderdrukken/vernietigen/moorden doen die toppen niet voor elkaar onder, ongeacht hun verschillende religieuze basis, zoals christelijk/joods/islamitisch/Russisch-orthodox (zie hoe een top saloncrimineel zijn werk tegenwoordig doet. Bekijk daarvoor de foto op de site van ‘Respublica’, Online.).

Thom Holterman  (voortbouwend op de bespreking door Ernest London van het boek van Jean-Jacques Gandini over Papon; zie de bespreking integraal op Bibliothèque Fahrenheit 451,  Online )

Gandini, Jean-Jacques, Le procès Papon, Histoire d’une ignomie ordinaire au service de l’État, Voorwoord Johann Chapoutot, Nawoord Arié Alimi, 140 blz., prijs 12 euro.

Reacties (0)

Voeg nieuwe reactie toe

Wij tolereren geen: racisme, seksisme, transfobie, antisemitisme, ableisme enz.