Forum voor Anarchisme
ArtikelenDe AnarchokrantDossiersEventsWiki // Hulp bronnenContact // InzendingForum
|
anarchokrant19 mei 2026

Verrechtsing en neoliberalisme

Author: Egel | GEPLAATST DOOR: De Anarchokrant | Bron: peterstormt.nl

Geschreven voor en inmiddels verschenen in de laatste Buiten de Orde, nr 2, 2026.

Verrechtsing heeft de samenleving verregaand in de greep. Die greep is niet oppervlakkig, en niet beperkt to beleid en partijpolitiek. We hebben ermee te maken in de economie, de politiek, de wetenschapsbeoefening, in cultuur en kunst, de houding en het bewustzijn van mensen. Deze verrechtsing is niet kortstondig, niet snel voorbijgaand, niet makkelijk te verslaan. Elk serieus linksradicaal perspectief van strijd kan zich maar beter rekenschap geven van deze verrechtsing, haar diepgang, haar volle breedte en haar karakter als lange-termijn verschijnsel. Onderschatten we de kracht van de verrechtsing, dan onderschatten we de kracht van de vijand. Dat is zelden een recept voor serieuze overwinningen.

1.

Verrechtsing dus: het verschijnsel dat rechtse opvattingen – opvattingen die ongelijkheid, hiërarchie, opgelegde autoriteit, tradities die op deze waarden leunen – groter gewicht in de maatschappij krijgen, vanzelfsprekender worden, meer gehoord worden en minder tegenspel krijgen. Het verschijnsel dat degenen wiens belangen door rechtse ideeën worden verstevigd, hun invloed, rijkdom en vooral overmacht zien groeien, en de groei van die overmacht bewust en met behulp van al die rechtse ideeën strategisch doorzetten. Ondernemers die vrijwel overal mee wegkomen, een overheid die ze daarin verregaand de ruimte geeft, een journalistiek die het allemaal de gewoonste zaak van de wereld vindt. Een oppositie die voornamelijk komt van partijen die nog sneller en nog wezenlijk verder naar rechts willen. Een linkse politiek die goeddeels zich kernwaarden van rechts verregaand eigen heeft gemaakt en niet meer gelooft in verwezenlijking van linkse waarden, hooguit in het hanteren van linkse waarden om de rechtse politiek en de uitkomsten daarvan een beetje minder bruut te maken. Het proces dat rechts op zeer veel fronten steeds sterker is gaan domineren in de afgelopen vijftig jaar, dat noem ik verrechtsing. Het gaat dus niet enkel om de groei van extreem-rechts, al is die er een belangrijk symptoom van.

Die groei van extreem-rechts – van het fascisme en aanverwante stromingen – is intussen wel dramatisch van omvang en intensiteit. Landen die in 2015 nog geregeerd werden door mainstream-regeringen – van ietsje links van het midden tot een flink eind naar rechts, van pakweg Hollande tot en met Rutte 1 t/m 48 – hebben intussen extreemrechtse staatshoofden en/of regeringsleiders, taan op het punt die te krijgen, of zien tenminste een dramatisch gegroeide extreem-rechtse. Obama is vervangen door Trump, die zijn presidentschap na Biden verlengd zag. In Italië regeert Meloni, aan het hoofd van een partij die erfgenaam is van de fascisten van Mussolini. In Argentinië veroverde Milei het presidentschap met een cocktail van vrije marktfanatissme en haart jegens alles wat ook maar vagelijk links is. In Duitsland staat het AfD – steeds openlijker steeds nazistischer geworden – ijzersterk in peilingen, in Frankrijk staat het Rassemblement National, vroeger als Front National bekend, op de drempel van regeringsmacht, met het presidentschap binnen handbereik. In Nederland regeerden de fascisten van Wilders bijna een jaar lang mee onder Schoof. Die heeft intussen het veld geruimd voorde mainstream-rechtse Jetten – maar die lonkt naar en leunt op steun van nettepakkenfascisten Marcuszower en Eerdmans, om zijn rechtse beleidsvoornemens door het parlement te helpen loodsen.

Intussen schuift mainstream rechts ook naar rechts. De Franse president Macro – van middenfiguur in snoeiharde bezuingingspresident en autoritair bestuurder getransformeerd – is typerend. In Nederland vormt de VVD zich gaandeweg om van rechtsliberale tot extreem-rechtse partij. Intussen zitten extreem-rechtse leiders als Poetin in Rusland en Erdogan in Turkije stevig in het zadel. Vooral die eerste heeft het land dat hij bestuurt wel heel nadrukkelijk omgevormd tot een fascistische staat. Er zijn trends de andere kant op – maar niet heel ver de andere kant. Fascist Bolsonaro mocht in Brazilië plaatsmaken voor sociaaldemocraat Lula – die er veel aan doet om bedrijven de ruimte te geven en regenwouden op te blijven offeren aan winstbejag. In Polen losten mainstream-liberalen de extreem-rechtse PiS-partij af in de regering – om vervolgens te ontdekken dat die PiS machtsposities genesteld heeft in het staatsapparaat, en niet zomaar weg te duwen is. Zo stelt de nieuwe regering haar aanhangers teleur, terwijl PiS kan mobiliseren voor haar terugkeer aan de regeringsmacht. Juist in de oppositie tegenover mainstream-regeringen die weinig positiefs weten te brengen, kunnen fascisten zich enorm versterken, en een comeback voorbereiden. We zagen dat bij Trump na Biden. We dreigen zoiets te zien, in Polen maar ook in Nederland, waar een veelheid van fascistenclubs zich klaarstoomt tegen het nieuwe kabinet.

Rechtse oppositie tegen mainstream-regeringen wint als de echte sociale oppositie ontbreekt. Die oppositie komt van links, als ze ergens vandaan komt. Maar juist die linkse oppositie is gaandeweg gaan ontbreken of zodanig verwaterd dat je er amper nog wat van merkt. Waar sociaaldemocraten tot in de jaren tachtig probeerden – althans: beweerden… – te staan voor uitbouw van de verzorgingsstaat, tegemoet komen aan de vakbonden en emancipatie bevorderen waar nodig, daar zijn sociaaldemocraten nu vooral bezig met het hooguit nog ietsje bijschaven van neoliberale ellende. De markt is ook bij hen op de troon gezet, elk streven naar fundamentele hervormingen is uit beeld. Men is vooral bezig om kiezers, waarvan men denkt dat ze vooral rechts zijn, naar de mond te praten om ze achter hun kandidaten te krijgen. Maar wie racisme belangrijk vindt, stemt op partijen die dat uit zichzelf uitdragen, liever dan op partijen die dat met enige tegenzin doen uit angst kiezers kwijt te raken. Tegemoetkomen aan racisme uit angst voort extreem-rechts maakt extreemrechts sterker, niet zwakker.

De trend geldt breder. Waar sociaaldemocraten omgevormd zijn tot sociaal-liberalen, daar zijn voormalig radicaal-linkse formaties vaak de sociaaldemocratische kant op geschoven. Wat vroeger communistische partijen waren, zijn nu een soort sociaaldemocraten geworden. Fuseer die hele boel, en je kreeg GroenLinks. Fuseer de boel nogmaals, en je krijgt GroenLinks-PvdA. Daar zitten dus de erfgenamen van de Communistische Partij Nederland, en ook van radicale pacifisten die tegen de koloniale oorlog in Indonesië waren, samen met sociaaldemocraten die zie oorlog doodleuk ondersteunden, samen in één partij. Linkse eenheid, leuk he? Waar nieuwe linkse formaties pijlsnel opkwamen – Syriza in Griekenland tussen 2010 en 2015, Podemos in Spanje iets later – daar zagen we al snel dezelfde ontwikkelingen. Radicale beloften en ambities, hard afremmen zodra ze (mee)regeren, al snel weinig anders dan een tweede sociaaldemocratische partij met een gedesillusioneerde en wegebbende aanhang.

Zo ziet verrechtsing in partijpolitieke zin er uit. Oprukkend extreem-rechts. Steeds harder mainstream rechts. En een links dat tegenstribbelend ook naar rechts beweegt. Overal domineert de markt – gefaciliteerd door een staat die winstbejag de ruimte geeft en verzet tegen de consequenties binnen steeds nauwere kaders inperkt, en anders frontaal breekt. Gelukkig niet altijd met evenveel succes, maar de trend is duidelijk.

2.

Er is iets aan de hand dat al die partijen naar rechts trekt of duwt. Het is te simpel om te zeggen: al die linkse politici zijn gewoon allemaal carrièrebeluste opportunisten, verraders van de linkse idealen of zoiets. Er is iets dat ze tot zulk opportunisme en/of verraad aanzet, en dat is niet alleen het mooie goedbetaalde baantje. Deze mensen denken vaak écht dat er niet meer in zit dan buigen voor de markt, en de gevestigde overheid hanteren voor zowel repressie als voor minimale bijschaafpolitiek om de markt nog enigszins draaglijk te houden en nog enig verschil met openlijk rechts te suggereren. Ze geloven écht dat dit het best haalbare is. Waar het gaat om gevestigde politieke kanalen, hebben ze daar nog gelijk in ook. Via verkiezingen, parlementaire machtsvorming en (mee)regeren, zit er niet veel meer in. Breken met die hele electorale logica van de gevestigde politiek betekent hun hele in meer dan 100 jaar opgebouwde politieke identiteit loslaten.

Dat er zo weinig via de gevestigde politiek te halen is – veel minder dan in de jaren vijftig en zestig, toen sociaaldemocraten tenminste nog iets van een verzorgingsstaat konden helpen opbouwen – heeft redenen. Kort samengevat: het neoliberalisme, als ideologie maar vooral als beleidsaanpak – is zodanig gaan domineren dat elke partij die regeert zich daar vrijwel onvermijdelijk naar voegt. Hoe is dat zo gekomen? Deels omdat neoliberale ideologen gewoon hun werk hebben gedaan, eerst aan universiteiten en research-instellingen, gaandeweg als beleidsadviseurs van rechtse regeringen, net zo lang tot hun opvattingen totaal dominant waren geworden. Zo dominant dat als regeringen voor specifieke maatschappelijke problemen stonden, ze een beroep gingen doen op zulke neoliberale adviseurs, en uit hun receptenboek gingen putten. Hoe vorm je de vastgelopen economie om nadat je een linkse regering via een staatsgreep over hebt laten werpen, zoals in Chili vanaf 1973? Hoe regel je een wederopbouw nadat een tsunami het hele kustgebied heeft weggespoeld, zoals in Sri Lanka vanaf 2005? Hou bouw je een economie op nadat je een land bent binnengevallen en bezet houdt, zoals in Irak vanaf 2003? Neoliberalen vertelden het: privatiseer alles wat je kunt, schaf elke regelgeving waar bedrijven hinder van ondervinden af, werk vakbonden en dergelijke zo veel mogelijk tegen, en voilà. Naomi Klein schetst het in haar terecht befaamde boek, de Shock Doctrine. Neoliberalen wonnen de politieke en economische discussies in en om beleidskringen, en hielpen de wereld in te richten naar hun opvattingen.

Maar waarom wonnen neoliberale ‘experts’ de maatschappelijke beleidsdiscussies vanaf de jaren 1970? Waren ze zo briljant? En waren ze dat eerder niet? Waren hun critici minder briljant, en waren ze dat eerder wel? Het klinkt niet erg logisch. Kernstukken van de neoliberale ideologie – geef de markt de ruimte en het komt goed – waren al veel ouder, met ideologen als Von Mises en Hayek. Maar zulke economen kregen in de jaren 1950 en 1960 nauwelijks een poot aan de grond. De dominante ideologie van destijds beriep zich op de econoom Keynes, die overheidsingrijpen in de economie bepleitte om recessies tegen te gaan en niet wilde dat de markt alles domineerde. Het idee dat de staat ervoor hoorde te zorgen dat er een vangnet was voor mensen die wegens ziekte of ouderdom buiten het arbeidsproces belandden, of tijdelijk geen betaald werk wisten te vinden, was gemeengoed, niet alleen bij sociaaldemocratisch links. De overheid werd geacht investeringen te sturen om beleidsdoelen – het temperen van sociale tegenstellingen, maar ook ‘defensie’ en ‘nationale veiligheid’ – te verwezenlijken. Voor vakbonden hoorde een plek te worden ingeruimd, behoorlijke lonen waren goed voor de economie want mensen met zulke lonen konden geld uitgeven, en die consumptie hielp weer om de economie te laten draaien. Dit alles binnen een context waarin grote bedrijven grote winsten konden maken en de maatschappij domineerden.

De ideologie van de verzorgingsstaat, van de overleg-economie waarbinnen de vakbeweging meedeed, van het overheidsingrijpen langs de door Keynes uitgezette lijnen… die ideologie paste bij het winstgevende kapitalisme van die periode. Maar het was een echt ander beleidsconcept dan het latere neoliberalisme. Het domineerde, en wist opkomende neoliberale kritiek met gemak naar de marge te duwen…. totdat dit niet meer lukte. En het lukte niet meer, niet vanwege de slimheid van die neoliberalen, maar omdat het Keynesiaanse beleidsmodel steeds minder werkte. Dat beleidsmodel liep vast vanwege ontwikkelingen in de maatschappij zelf. De winstgevendheid van het kapitaal – waar succesvol Keynesiaans beleid zowel van afhing als aan bijdroeg – begon te haperen. Door recessies – maar daar hadden Keynesianen een antwoord op: extra overheidsgeld uitgeven. Maar waar dat aanvankelijk hielp, daar werkte dit in de jaren 1970 steeds minder. En er gebeurde intussen nog meer. De maatschappij was in beweging gekomen.

Arbeiders die een iets beter leven hadden leren kennen door iets hoger loon, meer sociale zekerheid en een sterkere positie van de vakbonden, kregen de smaak te pakken en gingen de strijd aan voor verdere verbeteringen. Mensen die zich in de verzorgingsstaat niet meer zo druk hoefden te maken over het naakte overleven, begonnen kwalitatieve verbeteringen te verlangen: een schoon milieu, zeggenschap op werk, in buurt of onderwijsinstelling. Kortom: de jaren zestig braken uit, gevolgd door de jaren zeventig. Een periode van sociale strijd die zich niet makkelijk liet neerslaan en ook niet snel liet inkapselen. De strijd dwong ondernemers tot loonsverhogingen en verdere verbetering van arbeidsvoorwaarden. De strijd dwong regeringen tot allerlei sociale uitgaven, en tot wetgeving waar ondernemers beperkingen van ondervonden. De strijd begon hinderlijk te worden voor de winstgevendheid van ondernemingen, voor de sociale positie van kapitalisten, voor de macht van overheden die de ondernemers ter wille wilden – en in ene kapitalistische economie ook moesten! – zijn. Waar het Keynesianisme voorzag in het temperen van tegenstellingen zodat de economie winstgevend en harmonieus kon draaien, daar leidde de opkomende sociale strijd juist tot toenemende spanningen, tot confrontatie tussen ondernemers en arbeiders, tussen heersers en hun repressie-apparaten enerzijds en een overheerste bevolking anderzijds.

Tegen deze achtergrond verloren Keynesiaanse beleidsrecepten hun glans en effectiviteit. Ondernemers en beleidsmakers gingen op zoek naar alternatieven om hun posities en belangen e verdedigen. En daar waren die neoliberalen die aldoor al zeiden dan de markt niet ingeperkt hoorde te worden, dat ondernemers een hoofdrol hadden te vervullen en ene soort heldenrol konden spelen, dat de overheid hooguit ondernemers en de markt dienden te faciliteren, en dat collectieve actie en vakbondsmacht die markt juist hinderden en dus een negatief verschijnsel waren. Kwam dat eventjes goed uit als je een verhaal nodig had dat ondernemers hielp om zich van de druk van arbeiders, van hinderlijke wetgeving en dure sociale voorzieningen te verlossen!

Ondernemers, ondernemersorganisaties en rechtse politici omhelsden gaandeweg het neoliberale receptenboek en bijbehorende analyses. Dat was dus geen kwestie van intellectuele kracht van het neoliberalisme. Het was een kwestie van belangen. Waar tot rond 1970 het Keynesianisme volstond als kapitalistisch beleidsmodel, daar was dat later niet meer het geval. Het neoliberalisme kwam de ondernemersklasse en de gevestigde orde veel beter uit. Die klasse begon te zien dat ze een confrontatie nodig had met de arbeidersbeweging, met de opgekomen sociale bewegingen van de jaren 60 en 70. Het neoliberalisme werd het verhaal waarmee ze die aanval – feitelijk een klassenstrijd van hogerhand – beargumenteerde en rechtvaardigde. In het ene na het andere land zetten ondernemers en bijbehorende politici – Callaghan en Thatcher, Carter en Reagan, Lubbers – de aanval in, helaas met verontrustend succes.

Sociaaldemocraten belandden op het verkeerde been. Zich vastklampen aan het eerdere keynesiaanse beleidsmodel werkte niet: de hele sfeer van confrontatie tussen kapitaal en arbeid maakte een middenpositie onhoudbaar. Gaandeweg omarmden ook sociaaldemocraten de marktlogica van het neoliberalisme en beperkten ze zich steeds meer tot kleine aanpassingen binnen de markteconomie. De markt die aldus heilig werd verklaard, werd gezien als een objectief feit. Terwijl het hier een doelbewust mechanisme betrof waarmee ondernemers maximale ruimte voor zichzelf, hun winst en hun macht doordrukten. Vakbondsbestuurders gingen er in mee. Looneisen konden alleen ‘marktconform’ zijn en mochten de winstgevendheid van bedrijven niet bedreigen.

Binnen een kapitalistische context klopte het nog ook. En die context aanvechten? Dat waren sociaaldemocraten niet gewend, om de doodeenvoudige reden dat sociaaldemocratische politiek aldoor al – ook in de tijd van het Keynesianisme! – had bestaan uit meebesturen binnen het kapitalisme, hervormingen daarbinnen nastreven maar het kapitalisme zelf intact laten. In 1960 kon je langs die lijnen behoorlijke lonen en arbeidsvoorwaarden garanderen, een sociaal zekerheidsstelsel opbouwen, het onderwijs uitbreiden en een redelijk goed gezondheidssysteem overeind houden, allemaal zonder het kapitalisme zelf uit te dagen. In 1990 eiste precies zo’n werkend kapitalisme juist uitholling van lonen en arbeidsvoorwaarden, bezuinigingen op zorg en onderwijs, het ontmantelen van sociale zekerheid. Elk links dat de gezondheid van het kapitalisme als uitgangspunt neemt – wat sociaaldemocraten standaard doen, al sinds de jaren 1930 op zijn allerlaatst – gaat onvermijdelijk in deze logica mee, zoals zo’n links vroeger in de Keynesiaanse logica meeging.

3.

Met de dominantie van het neoliberalisme gebeurde er niet alleen iets in het beleid, de politiek en de economie. De hele maatschappij raakte er van doortrokken. Normen van sociale gelijkwaardigheid en solidariteit raakten uitgehold en aangetast. Niet alleen bedrijven waren ondernemingen, mensen werden ertoe gebracht zichzelf ook als ondernemer te gaan zien, die kapitaal – letterlijk, of ‘sociaal kapitaal”- aan het vergaren was om te concurreren met andere personen en individueel overeind te blijven en hogerop te komen. Alles wat sociaal was, collectief georganiseerd, rond solidariteit ingericht, werd in deze levenshouding al gauw een beetje belachelijk, ouderwets, verdacht. Al in de laten jaren 1970 bedacht iemand de kreet ‘het ik-tijdperk’. Varianten ervan werden steeds dominanter. Het ‘ik’ dat hier domineerde was niet een persoonlijkheid met alles er op en eraan. Het ik was hooguit een ego, een angstig eigen beperkte belangen najagend ondernemertje op een markt.

Bij dit wereldbeeld paste ook dat autonomie van personen gereduceerd werd tot zelfredzaamheid van mensen. Je moest je maar zien te redden in deze van commercie en concurrentie doordrenkte maatschappij. Niet klagen als het misgaat, en vooral niet ‘zelf in de slachtofferrol kruipen’. Zo werkt het neoliberalisme door in onze persoonlijke levens, wie we ook zijn en wat onze maatschappelijke positie ook is. Een diepgaand neoliberale mentaliteit en bijbehorend wereldbeeld is verregaand dominant geworden in de hele maatschappij. Dat is verrechtsing op indringende schaal – want bij dit neoliberalisme is erkenning van maatschappelijke hiërarchie, van verschil tussen arm en rijk, tussen machtig en machteloos, volledig gelegitimeerd: wij rijk en machtig is, heeft het kennelijk verdiend door inzet op de heilige Vrije Markt. Wie arm en machteloos is, heeft pech gehad en kan het alleen zichzelf verwijten. Had je maar beter je best moeten doen.

En ja, ik kom dit ook in linksradicale, anarchistische kringen tegen, sporen van deze neoliberale houding. Hoe vaak kwam je in de tijden van Covid niet de houding tegen dat mensen zelf verantwoordelijk waren voor hun bescherming, dat het wel okay was als mensen een mondkapje droegen – maar zonder dat ze mochten verwachten dat in gemeenschappelijke ruimten anderen het ook deden? Hoe vaak werd daarmee feitelijk niet gezegd: ieder is individueel verantwoordelijk, maar verwacht niet dat we van solidariteit een norm maken door af te spreken dat we allemaal een mondkapje dragen om voor iedereen de risico’s te beperken? Hoe vaak bleef – en blijft – de gezondheid, juist ook van extra kwetsbare mensen, ook bij ons niet een kwestie van individuele verantwoordelijkheid, niet voor elkaar maar hooguit voor jezelf? Neoliberalisme is het, deze houding, al is het geenszins zo bedoeld. Gelukkig zijn er mensen die tenminste proberen hier niet in mee te gaan.

4.

Neoliberalisme-als-verrechtsing is nog niet automatisch verrechtsing in de politieke zin van groeiend extreem-rechts gedachtegoed. Maar zijn we verbanden. Door maatschappelijk verschil – hoog en laag, rijk en arm – te legitimeren, opent het neoliberalisme de deur voor ideologieën die van maatschappelijk verschilde hoofdzaak maken. Heel subtiel ging de deur weer verder open voor het idee dat verschil in maatschappelijke positie tussen zwarte en witte mensen, tussen vrouwen en mannen, en ga zo maar door, acceptabel was. De fascistische politiek die deze logica op de spits drijft, gedijt uitstekend in combinatie met een wereldbeeld waarin succes een verdienste is – en de witte machtspositie dus per definitie rechtmatig, want ‘verdiend’ met ‘hard werken’- waaraan de racist maar wat graag vermeende aangeboren kwaliteiten toevoegde. Neoliberalisme is niet automatisch fascisme. Maar fascisme kan wel prima aansluiten bij de sociaal-darwinistische logica die in het neoliberalisme te vinden is.

Het neoliberale kapitalisme maakt ons bovendien allemaal rivalen, en eigenlijk ook hele eenzame mensen. Het duwt mensen in een permanent gevecht met alles en iedereen inclusief onszelf. Het ontwortelt mensen, het werpt mensen op zichzelf terug. Het maakt wederkerigheid, solidariteit, collectieve actie als gelijkwaardigen solidariteit vorm te geven, zo veel mogelijk kapot. Samen strijden voor een beter leven staat immers haaks op het ongebreidelde winstbejag waar dit kapitalisme op drijft en waar het neoliberalisme de rechtvaardiging voor biedt.

Maar met de leegte, de angst en onrust en ontworteling die mensen bedreigt zonder zulke solidariteit, valt niet te leven. Daarom zijn mensen die beroofd zijn van authentieke gemeenschapszin en horizontale solidariteit op gelijkwaardige basis, des te ontvankelijker voor andere solidariteiten en collectiviteiten die beter passen in een kapitalistische maatschappij. Waar de solidariteit van onder tegen boven kapot is, daar is ruimte voor een hiërarchische solidariteit van onderdanen met hun heersers in de vorm van verzinsels zoals ras en natie.

Als mensen niet gelijkwaardig bij elkaar kunnen – mogen! – horen, dan kunnen ze ertoe gebracht worden bij de natie te behoren – tegenover die concurrerende natie, uiteraard. Of bij het ras, dat dan superieur geacht wordt aan andere rassen. Bedenksels, uit naam waarvan bedachte gemeenschappen worden geknutseld uit naam waarvan al gauw meedogenloze strijd tegen buitenstaanders wordt gepredikt, en opgelegde eenvormigheid binnen die gekunstelde gemeenschappen zelf. Dit is wat fascistische politiek doet: kunstmatige gemeenschappen op de troon zetten, en de loyaliteit daaraan tot hoogste norm verheffen. De behoefte aan zulke hiërarchische gemeenschapsvorming is des te groter waar authentieke gemeenschapszin op basis van gelijkwaardigheid en solidariteit kapot zijn gemaakt. Waardoor kapotgemaakt? Door het neoliberalisme, als beleid en als ideologie. Zo werkt de neoliberale verrechtsing als bredere context de meer specifieke fascistische verrechtsing in de hand. De ernst en diepgang van al deze verrechtsing onder ogen zien: het is een voorwaarde als we deze verrechtsing ooit effectief willen verslaan.

Peter Storm

Reacties (0)

Voeg nieuwe reactie toe

Wij tolereren geen: racisme, seksisme, transfobie, antisemitisme, ableisme enz.